De zon is nog behaaglijk warm aan het begin van de herfst, en als hij weer achter een wolk vandaan komt dan voel je de kracht van die vuurbol hier miljoenen kilometers vandaan. Het blijft mij altijd fascineren dat die zon het zelfde gevoel geeft als een straalkacheltje van 1000 watt die vlak voor je staat, hoeveel energie zou de zon verbruiken? God zal wel een hoge energie rekening krijgen iedere maand. Ik heb mijn schoenen en sokken ondertussen uitgetrokken om ze wat te laten drogen en is Gerderik al moperend het zelfde aan het doen. Hij klaagt dat hij nu de hele terugreis met natte schoenen moet lopen en ik verwonder mij hoe iemand die toch wel vaker in het bos komt, vooral dit natte, mossige bos, kan klagen over natte schoenen. Zijn natte broek trekt hij ook uit en hangt hem over een tak, zwijgend begint hij takken te zoeken al lopend op zijn blote voeten tussen de lage boompjes… Berken denk ik. Ik zal hem maar helpen, hij zal wel een vuur willen maken om de zon een handje te helpen. Mijn vrienden in de stad, speciaal de deftige kant, zullen dit wel een absurd tafereel vinden, op je blote voeten, half naakt door een bos lopen in de herfst. Ik verbaas mij over niks meer, daar heb ik al genoeg voor mee gemaakt en Gerderik vind het blijkbaar ook niet raar want hij stapt rond alsof hij schoenen aan heeft. Ik let nog een klein beetje op waar ik mijn voeten neer zet om niet op een gemene tak te gaan staan. Het valt mij op dat hij kan mopperen over zijn natte schoenen zoals mijn deftige vrienden dat doen als ze in een plas zijn gaan staan op het trottoir maar vervolgens loopt hij halfnaakt hier rond alsof er niks aan de hand is. Dit is zijn omgeving en hoewel mijn vrienden ook wel zouden klagen over hun natte schoenen, ze zouden ook door gaan, niet op blote voeten denk ik… Wat heb ik weer een nutteloze gedachtes, waar dat nou weer vandaan komt?
‘Gerderik, ga je een vuurtje maken?’ Vraag ik hem al brandhout zoekend.
‘Ja.’ Klonk het zwijgend.
‘Je bent toch niet boos op mij omdat ik je liet schrikken op die steen en nu nat bent?’
‘Nee hoor,’ en tijdens het breken van een lange opgedroogde tak zegt hij: ‘Het was een goede grap,’ en met dat zeggende brak de tak met veel gekraak door midden, hij kijkt mij nog steeds niet aan.
‘Weet je Marit.’
‘Wat.’
‘Ik loop hier niet te mopperen op jou hoor, een nat pak vind ik niet fijn maar dat is niet de reden dat ik wat stil ben. Jij vertelde net, vlak voordat we overstaken dat je bang bent voor de dood bent. Om één of andere reden volgde meteen de gedachte, in mijn hoofd, dat je voor veel andere dingen niet meer bang zult zijn dan.’
‘Da…’
‘Wacht even, ik ben nog niet uit gepraat,’ Onderbrak hij mijn twijfelachtige bevestiging, ‘Ik was namelijk meteen daarna nat en het eerste wat er door mijn hoofd schoot was mijn tocht naar huis. Het goede gesprek tot nu toe was weg en ik zag mijzelf alleen maar lopen met natte schoenen. Ik ben bang voor natte voeten dacht ik en ik loop hier met een jonge dame, uit de stad nog wel en ook nog is bijna twintig jaar jonger en die maakt zich nergens druk om. Je stapt ook nog het water in om mij te helpen terwijl je ook vanaf de kant mij een handje had kunnen geven. Ik voel mijn nu nog al een…Eeuh, hoe noemen jullie dat, een lozer?’
‘Een loser,’ verbeterde ik hem.
‘Een loser ja, een beschuittrommel zouden wij hier zeggen.’
‘Een beschuittrommel?’
‘Ja, ook als er wat in zit dan is het nog voornamelijk lucht.’
‘Een domoor, grapjas…Haha hahaha Wel een goeie.’ Veel tijd om te lachen gun ik mijzelf niet, hij is opmerkzamer dan ik dacht. Ik heb wel vaker de neiging mijn gesprekspartners dommer in te schatten dan ze in werkelijkheid zijn, niet de alleraardigste trek van mij en ik weet niet of het meer voor of tegen mij werkt. Maar ik ben blij dat Gerderik nu al snapt waar mijn angst voor de dood op uit zou moeten draaien, nu maar is uitvinden hoe hij bij die conclusie is gekomen. ‘Dat heb je goed opgemerkt Gerderik, zo zie je maar dat alles ook een nuttige kant heeft, jou natte voeten hebben je een ingeving gegeven.’
‘Zo had ik het nog niet bekeken, ben jij altijd zo snel in het zien van de positieve kant?’
‘Altijd is een groot woord, krijg jij altijd je kampvuur aan?’ Kaatste ik de bal terug.
‘Niet altijd nee… Maar ik ben er wel goed in…’Hij legde de taken neer van klein naar groot en halverwege de bouw voegde hij aan zijn laatste zin toe: ‘Altijd is inderdaad een groot woord.’
‘Tijdens het filosoferen,’ ging ik verder,’ tijdens het “mens” zijn eigenlijk moet je zeer voorzichtig zijn met woorden als altijd, moeten of zinnetjes als zo is het of dit is de waarheid. Wij zijn niet echt in de positie om dat soort waarde oordelen te vellen. Ik weet niet eens zeker of er wel een “positie”is van waaruit je dat wel zou kunnen doen.’
‘Maar…’En hij kijkt mij aan,’ jij zei net moeten, je moet zeer voorzichtig zijn etc, etc. Hoe verklaar je dat dan?’
‘Daar heb je een punt. een zeer lastig punt. Ten eerste is het in onze dagelijkse taalgebruik nog al gebruikelijk om dat soort woorden en zinnen te gebruiken. Je zou dus een onderscheid kunnen maken tussen dagelijks en filosofisch gebruik. Je moet bijvoorbeeld naar de wc, niet omdat iemand je dwing, je kunt ook niet gaan, je ontploft vanzelf maar hier is moeten een soort van algemeen geaccepteerd advies, je moet dit of je moet dat. Ik gebruikte hem net op die manier, als mens moet je…’ En ik maak een draaiend gebaar met beide handen voor mijn mond alsof de rest van de woorden er geluidloos uitrollen. ‘Ik kan dat natuurlijk niet bewijzen en dat brengt mij op het filosofische moeten of liever gezegd het wetenschappelijke moeten. Alleen de ervaring kan je vertellen dat alles dat de mens altijd dacht, wat moest, de wereld als een schijf zien bijvoorbeeld, op een zeker moment ook anders kan. In de wetenschap is het vrij normaal om iets te beweren maar er meteen bij te zeggen dat het in de toekomst wel weer anders kan zijn, nieuwe inzichten, noem maar op. Dus ik hou vol dat je moet proberen niet te proberen iets te moeten.
‘Die eerste moeten is als het moeten poepen?’ Vraagt Gerderik.
‘Ja, zo zou je het kunnen zeggen.’
‘En die tweede moeten is als het afvegen na het poepen.’
‘Ja, inderdaad, daar kun je inderdaad over debatteren, dat is cultuur en tijd gebonden,’zei ik mijn lag onderdrukkend.
‘Is die laatste zin van jou dan een contradictie?’ Vraagt hij mij terwijl hij voorovergebogen tegenover mij zit met zijn mond vlakbij de piramide van hout, al blazend en pratend vraagt hij verder.’Een contradictie noem je dat toch,’zich herhalend,’een tegenspraak,’en hij kijkt op.
Ik knik, ‘er zit wel wat tegenspraak in maar het is een mysterieus onderwerp en ik ben er zelf nog niet over uit. Alle filosofen hebben zich er wel is mee bezig gehouden en ikzelf heb het gevoel dat er niet één filosofisch boek is dat zichzelf niet ergens tegenspreekt. Het lijkt wel of een waarheid nooit verkondigt kan worden zonder zijn tegenhanger maar deze gedachtes borrelen en pruttelen nog ergens op een laag vuurtje in mijn bovenkamer, ze zijn nog lang niet gaar.’
Het vuur is inmiddels aan gegaan en de extra warmte voelt behaaglijk aan, aan mijn koude rug te voelen. Uit de rugzak komt koffie en broodjes die goed smaken. Een heerlijke peuk en een tweede bak koffie doen mij weer even realiseren hoe fijn het is om te leven. Hier in de stilte van het bos, een goed gesprek, ver weg van alles lijkt de wereld even niet meer te bestaan. Als er nu een duif aan zou komen vliegen met een bericht voor ons waarop staat dat er wegen zijn die naar steden en landen leiden die lawaai maken en oorlog dan zou ik het niet geloven. Die duif zou het bewijs ook niet kunnen mee nemen, alleen maar dat briefje. De wereld is nu op zijn mooist en niks om ons heen laat het tegendeel zien. ‘Wat weet jij van de dood Gerderik?’ Begin ik het gesprek weer en alsof hij nooit anders had gedaan dan op dit soort, voor de meeste mensen idiote vragen te reageren antwoordde hij: ‘Helemaal niks eigenlijk.’
‘Wat is dood zijn?’ Herformuleerde ik de vraag.
-stilte-
‘Wat ben je niet meer als je dood bent?’ Hielp ik hem op weg.
‘Levend.’
‘Inderdaad, levend. Als je dood bent ben je niet meer levend. Dat is eigenlijk alles wat je over de dood kunt zeggen.’
‘Maar mijn moeder geloofde dat ze naar de hemel zou gaan.’
‘En wat zou ze daar dan verder gaan doen daar?’
‘Verder leven denk ik.’
‘Waarom zou je dan eerst dood moeten gaan om dan weer verder te leven?’
‘Geen idee.’
‘Ik wil het eigenlijk niet over religie hebben, mensen die bezig zijn met een leven later, als ze dood zijn snap ik niet,’ vertel ik hem eerlijk.
‘Wat snap je daar dan niet van,’ Neemt Gerderik het vragenstellen plotseling over.
‘Mijn hele leven heb ik geprobeerd een reden te vinden waarom je voor een andere wereld zou willen leven, zou kunnen leven. Ik weet wel dat je niet kunt bewijzen dat die, noem het maar hemel, er niet is maar het is veel makkelijker om aan te nemen dat deze wereld, die wij nu zien, er echt is en er toe doet en die hemel niet.’
‘Maar mijn moeder haalde er rust uit, ze wist dat God haar zou opnemen en dat haar zware leven beloond zou worden en dat al die boze mensen buiten haar gestraft zouden worden.’
‘Hoe weet jij dat je moeder zo dacht?’
‘Dat heeft ze mij zelf verteld. Ik vond het nog al luguber, ik weet niet echt waarom maar ik ben nadat ik het huis uit ben gegaan nooit meer na de kerk geweest, ik heb er ook niks mee, denk ik.’
‘Gelukkig maar,’ zei ik kort en kijk in het vuur.
‘Ik merk dat je er kribbig van wordt,’ gaat Gerderik verder reagerend op mijn lichaamstaal.
‘Ik weet het, zoals ik al zei, mijn hele leven, wel laten we zeggen vanaf mijn 12e, 13e toen ze voor het eerst op onze school kwamen venten met Jezus…Toen was het al zo klaar als een klontje voor mij dat we “van de apen kwamen” en niet zomaar plotseling door God gecreëerd. Ik kon toen die vrome gezichten al niet uit staan, high van gelukzaligheid, zo zagen ze der uit…’ Ik verlaat Gerderiks ogen en staar weer in het vuur en zucht even diep om dan mijn betoog af te sluiten:’Weet je, er zijn veel gelovigen op deze wereld, gelukkig doen de meeste dat uit gewoonte en niet uit een innerlijke overtuiging, mensen zijn gewoontedieren zoals ik daarstraks al vertelde, misschien zijn de meelopers wel net zo schuldig maar voorlopig veroordeel ik de aanstichters het meest, die zijn niet dom. Die moeten toch beter weten,’en ik kijk hem aan of er bevestiging is te zien.’ Het is echter een nutteloze discussie en ik zal hem altijd verliezen, de mensen zitten niet te wachten op nuchtere winden die er waaien boven op de berg waar het uitzicht weids is, ze willen goochelaars zien,’ besluit ik melodramatisch mijn verhaal, met een lach op mijn gezicht en vraag Gerderik meteen wat we nog meer weten van de dood, ‘of had je nog wat te zeggen over de godsdienst?’
‘Nou nee,’ verbreekt hij zijn zwijgen,’ik denk niet dat ik jou daar een plezier mee doe.’
‘Niet echt nee maar je hoeft mij niet te sparen hoor.’
‘Laat het maar rusten, je ging opeens over op die godsdienst terwijl ik nog over de dood aan het nadenken was, misschien ben ik het wel met je eens maar ik kan niet zo snel overschakelen.’
’Je hebt gelijk, laat het maar rusten, straks belanden we allebei nog in het vagevuur,’ en ik gooi demonstratief een takje in het vuur. ‘Wat weet je nog meer van de dood? Buiten onze aanname dat er niks meer is daarna,’ ga ik verder.
‘Het brengt verdriet.’
‘Dat klopt, maar voor wie?’
‘Voor de nabestaande.’
‘Maar daar heb jij toch niks mee te maken.’
‘Natuurlijk wel!’ Reageert hij snel. ‘Ik geef om mijn familie.’
‘Ok, ik begrijp wat je bedoelt. Maar waar ik eigenlijk naartoe wil is dat de dood onverwacht komt.’
‘Dat is nog al een open deur lijkt mij, dat weet toch iedereen.’
‘Dat weet iedereen wel maar begrijpen ze het ook allemaal?’
‘Begrijpen,’ en hij kijkt mij vragend aan.
‘Ja begrijpen, iedereen weet dat de dood plotseling kan komen,’ ik steek het stokje waar ik al een tijdje mee loop te frummelen met mijn linker hand in de grond, het heeft twee zijtakjes die op armpjes lijken, ik heb ze zorgvuldig afgebroken. Een klein groen blaadje is zijn gezicht, het is een klein mannetje. Ik kijk Gerderik aan die mij vol verwachting aankijkt wat ik met dat poppetje ga doen. Met mijn rechterhand pak ik één van de stokken uit het vuur met een vel rood gloeiende stomp en… Blam…Boven op het mannetje,’dood als een pier.’
‘Ja, ik weet dat de dood onverwachts kan komen, dat hem je mooi geïllustreerd, dat begreep ik al wel maar wat moet ik daar mee?’ Ging hij serieus verder.
‘Ik kon het niet laten om het zo te laten zien, dat had ik al een hele tijd voor bereid,’vertel ik hem met een grijns op mijn gezicht. ‘Als de dood ieder moment kan komen wat wil je dan niet meer doen zolang je nog leeft?’
‘Niet meer doen zolang ik leef,’ zei hij hardop tegen zichzelf, ‘niet meer doen zolang ik leef,’ herhaalde hij het nog een keer hardop en een korte stilte volgde, ’geen idee, wat is het?’
‘Ben jij een tevreden mens Gerderik,’vroeg ik hem.
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Je twijfelt.’
‘Hoezo?’
‘Je zei ik denk het wel.’
‘Ja, ik denk het wel, mijn werk misschien.’
‘Wat is er met je werk?’
‘Een paar jaar geleden had ik het er heel moeilijk mee gehad, ik wou graag wat anders gaan doen maar ik wist niet wat en als ik iets leuk vond dan kon dat weer niet hier in de buurt, Ik heb mij er eigenlijk bij neer gelegd, daarom twijfelde ik net.’
‘Wat is er mis met je werk dan?’
Nou ja, ik doe het alweer meer dan 25 jaar, ik hoef er niet echt meer bij na te denken, het is eigenlijk gewoon mijn werk,’en Gerderik haalt zijn schouders op terwijl hij dit laatste uitspreekt.
‘En ben je daar tevreden mee?’Graaf ik verder.
‘Mwhoa, ja… ach.’
‘Denk je dat je meer kunt?’
‘Ja,’ en hij kijkt mij aan en heel in de verte lijkt er iets te glinsteren in zijn ogen.
‘Ga verder,’moedig ik hem aan.
‘Vijf jaar geleden waren hier twee biologen voor een onderzoek, ik zou ze begeleiden tijdens de twee maanden dat ze hier waren. Ze hadden allemaal dure apertuur bij zich en praatte met nog duurdere woorden. Ze onderzochten wat de invloed was van de niet inheemse aanplant op de van oudsher voorkomende boomsoorten hier. Om een lang verhaal kort te maken, wat hun konden kan ik ook met mijn nuchtere verstand en jarenlange ervaring, het enige dat er aan ontbrak was hun dure taal gebruik, ik wist toen dat ik daarvoor naar de universiteit zou moeten gaan. Maar dat leek mij toen wat al te hoog gegrepen en dan zouden we moeten verhuizen en…en ga zo maar door.’
‘Maar je had dat wel graag gedaan.’
‘Ja, het was reuze interessant wat die twee deden. Ik sta dagelijks tussen de bomen, hier in deze bossen en ik zie wat er hier gaande is maar zij hadden een veel ruimer overzicht. Dat trok mij aan.’
‘Dat trok jou aan?’ Ik benadrukte het woord trok.
‘Het trekt mij nog wel aan eigenlijk.’
‘Waarom heb je het op gegeven dan? Wat vond Evelien ervan?’
‘Evelien stond er helemaal achter, nog meer eigenlijk dan ik. Ze zou het helemaal niet erg vinden om hier weg te gaan.’
‘Angst voor het onbekende,’ zeg ik hardop en kijk hem wat nadrukkelijker aan. Hij kijkt van mij weg en begint zijn rugzak in te pakken terwijl hij blijf zitten. Zijn sokken gaan aan en dan zijn broek. Hij reikt naar zijn schoenen en deelt mee dat ze nog nat zijn en hij trekt ze aan. Zonder dat de veters zijn gestrikt staat hij op en strekt zich uit alsof hij net ontwaakt, zijn armen gaan weer naar beneden maar hij blijf omhoog kijken en blijf zo een paar seconden stil staan. ‘Ja,’ zegt hij plotseling, ‘ik denk dat je daar wel gelijk in hebt.’ En hij zet een voet op een stronk om zijn veter te strikken. ‘Ik vroeg je toen straks wat je niet zou moeten doen als je weet dat de dood ieder moment kan komen, weet je het antwoord al?’ Vraag ik hem terwijl ik ook mijn schoenen aan doe.
‘Ik zou het gewoon moeten doen zekers?’
‘Ja natuurlijk, als dat je droom is maar wat ik eigenlijk onder angst voor de dood versta is dat je realiseert dat je geen tijd hebt om weg te geven er is geen extra tijd. Als je iets wil dan moet je het nooit voor onbepaalde tijd voor je uit schuiven.’
‘Maar ik wil het niet meer echt,’ zegt hij als hij op zijn rugzak gaat zitten, ik heb mijn rugzak al half om maar kennelijk wil hij er nog even bij gaan zitten.
‘Je wil niet meer echt. Je wil niet meer het ruimere zicht hebben? Je kennis vergroten?’
‘Nee, ik denk het niet, ik schuif dus eigenlijk niks voor mij uit.’
‘Je bent bang voor het onbekende vertel je net.’
‘Ja.’
‘Maar ergens zou je ook wel een verandering in je leven willen hebben?’
‘Ja.’
‘En die verandering heb je voor onbepaalde tijd voor je uitgeschoven toen je de kans had omdat je bang was?’
‘Ja.’
‘Dus je zou nog wel willen gaan studeren maar je doet het niet omdat je bang bent voor wat er allemaal gaat veranderen?’
‘Ja, dat zei ik toch.’
‘Nou nee, net zei je nog dat je het niet meer echt wil, dat je dus niks voor je uitschoof, je vertelde het nog op zo’n manier dat het leek alsof je een goede zet had gedaan bij schaken.’
‘Jij kan mooi praten. We moeten nou trouwens gaan anders zijn we niet voor het donker bij de hut’
Hij staat op en doet zijn rugzak om. Ik doe het zelfde en volg hem. Het vuur heeft hem wel weer opgewarmd maar zijn bezorgde blik is nog niet opgedroogd merk ik. Zal ik hem een verhaal vertellen of zal ik hem even tijd geven om in stilte na te denken. Kennelijk heeft hij nog geen vrede met zichzelf over de keuzes die hij heeft gemaakt anders had hij wel met meer zekerheid die keuzes verdedigd. Zou ik het hem wel goed uitgelegd hebben, het is ook zo duidelijk voor mijzelf. Tuurlijk ben ik niet bang voor de dood, in tegendeel zelfs, daarvoor heb ik het al te vaak van dichtbij gezien, helderdere momenten zijn er haast niet. Maar die ervaringen hebben mij wel geleerd, tenminste, dat denk ik, maak ik mijzelf dat wijs? Maar anderen hebben dat soort ervaringen ook zo vertaald, als een keerpunt in hun leven, dus helemaal uit het niets komt het niet als ik beweer dat die ervaringen mij hebben geleerd dat er geen tijd is voor bullshit, onzin. Geen smoesjes meer, wat bereik je daar ook mee en ook geen schaamte meer of angst. Wat kan er nu gebeuren, wat maakt het uit als ze je raar aankijken als je, je nek uitsteekt tijdens die vergadering of dat je stopt met die baan, omdat er iets wordt gevraagd dat tegen je principes in gaat en niemand daar wat van snapt. Al die mensen die iets niet doen omdat anderen daar wel is wat van kunnen zeggen die hebben kennelijk niet door dat we straks allemaal dood gaan, dat de aarde ooit wordt verzwolgen door de zon en dat het uiteindelijk helemaal om niks gaat, gebakken lucht is het dan nog. Mensen moeten is leren hun eigen plan te trekken en geen slaaf te zijn van de buitenwereld, hun emoties of wat dan ook. Ach ja, het is allemaal makkelijk gedacht, ik heb waarschijnlijk veel meer woorden nodig om het uit te leggen en dan nog. Als je naar een willekeurige bibliotheek gaat dan vind je genoeg boeken van schrijvers die dat allemaal op hun eigen manier al is geprobeerd hebben. Natuurlijk moet dat mij er niet van weerhouden het ook weer is te proberen, net zoals hun wisten dat het een oeverloze exercitie zou zijn maar het toch deden, misschien ook wel omdat ze zich realiseren dat je uiteindelijk niks te verliezen hebt. Maar hoe maak ik het Gerderik duidelijk, hij vertoonde al eerder trekjes die lieten zien dat de moderniteit ook hier zijn vat heeft gekregen op de mensen. Hij zal wel denken wie ik nou helemaal ben om hem dat allemaal te vertellen en van die lastige vragen te stellen. Ik voel het aan zijn reacties maar hij zal dat niet zo zeggen denk ik, althans niet zo snel. Hij weet ook wel dat hij zelf maar al te graag over dit soort dingen heeft met mij, hij is er deels zelf over begonnen. Maar een zekere trots heeft hij wel en het is natuurlijk nooit leuk om daarin gekrenkt te worden, ik weet daar alles van en het heeft mij goed gedaan uiteindelijk om te beseffen dat sommige soorten trots nutteloos zijn. Maar het blijft lastig om op een goede manier om de trots van mensen heen te gaan en ik leef nog teveel met de instelling dat ik liever mijn eigen mening doordruk dan op de gevoellens van anderen te letten. Eigenlijk leef ik niet met die stelling, zo doe ik het gewoon, dat gaat vanzelf, zo doe ik het gewoon, dat gaat samen met mijn idee van de dood, tenminste, dat denk ik. Ik moet nog veel leren. Ik zucht hardop maar Hij hoort niks. Wat zal ik Gerderik is vragen, hij loopt nu al weer een paar minuten zwijgend voor mij. ‘Gerderik!’Roep ik hem dan maar.
‘Ja, ik ben er nog!’
‘Waar denk je aan?’ Dan maar de directe weg.
‘Aan wat we allemaal besproken hebben en aan mijn werk. Weet je, een paar jaar geleden heb ik het er best moeilijk mee gehad, vooral met mijzelf en dat gevoel komt af en toe terug. Nu voel ik het ook weer een beetje.’
‘Een rottig gevoel,’ zeg ik tegen zijn rug.
‘Ja,’ en hij stopt even zodat ik hem kan inhalen en samen lopen we weer verder, Jou durf ik het wel te vertellen.’
‘Wat durf je mij wel te vertellen?’
‘Je bent wel wat jaren jonger dan mij maar als ik zo met je praat en mijn ogen even dicht doe dan hoor ik geen jonge dame maar een vrouw die al wat meer heeft mee gemaakt dan ik dat heb. Zelfs met mijn vrouw kan ik niet over alles praten, schaamte denk ik. Toen ik zo met mijzelf in de knoop zat toen wist ik vooral niet hoe ik, euuh, zeg maar een soort muur uit mijn hoofd moest halen. Ik wilde heel graag gaan studeren maar waar ik woon wordt nogal neerbuigend tegen studeren aangekeken en ik vertelde je al eerder dat het bij ons een goed ding is als je kunt zeggen dat je al dertig jaar voor de zelfde baas werkt. En in mijn hoofd kon ik wel tig keer herhalen dat die meningen van al die mensen hier in mijn dorp er niet toe doen maar het hield mij toch tegen. Ik denk dat ik teveel twijfelde aan mijn eigen gelijk en het daarom niet heb doorgezet en zelfs vijandelijk ben gaan staan tegen dat soort gedachtes, ik ben ergens zo gaan denken als mijn dorpsgenoten. Maar ik weet dat wel en dat is het ergste, ik weet het maar kan er ook niks aan veranderen, iets houd mij tegen.’
Ik keek hem even aan en gaf hem een licht schouderduwtje en zei:’Als ik je psycholoog zou zijn zou ik nu zeggen dat je mij de woorden uit de mond had gehaald,’ en lachte naar hem.
‘Hoe bedoel je?’en keek mij verbaast aan om mijn lach na zijn serieuze ontboezeming.
‘Ik denk dat het een diagnose is waar je wat mee kunt.’
‘Alsof ik ziek ben.’
‘Dat zijn we misschien wel allemaal, of juist weer niet dan, nee nu maak ik er een grapje van, je vertelde een heel serieus verhaal en ik ben vereerd dat je het mij verteld hebt.’
‘Je doet er inderdaad wat luchtig over.’
‘Ja, sorry…maar in onze familie maken we elkaar voor rotte vis uit als we weten dat we stinken,’gefrons, ‘we weten dat we onszelf als mens, graag voor de gek houden.’
‘Dus het is niet zo bijzonder?’
‘Zekers wel. Ik ben zo opgevoed en weet niet beter maar jij hebt het zelf “verzonnen”, dat is niet niks. Het zou mooi zijn als je, jezelf uit die impasse kunt trekken, als je dat tenminste zou willen want niets houd je tegen om zo door te gaan als je nu doet en je zult er ook niet ouder van worden waarschijnlijk of gelukkiger.’
‘Gelukkiger,’ geschrokken keek hij mij aan.
‘Dat is weer een ander onderwerp, voor later, eerst wil ik wel is weten wat je zou willen,’ ik moet opletten dat ik nu inderdaad niet als een psycholoog ga praten na zijn ontboezeming, wat is het vlees toch zwak, meteen voel ik mij boven hem staan, menselijke communicatie, het schijnt altijd neerkijkend of omhoogkijkend te moeten en maar met moeite recht tegenover elkaar. En een duw: ‘He dagdromer!’ Zei Gerderik ineens, ‘heb je mij wel gehoord?’
‘O, sorry, nee ik was =even in mijzelf aan het denken. Wat vroeg je?’
‘Ik zei dus dat ik er inderdaad wel wat aan zou willen doen, ik heb het idee dat jij mij daar wel bij kan helpen.’
‘Ik kan je laten zien hoe ik het doe maar ik kan je niet op mijn rug nemen en je over die berg tillen, dat zul je op eigen kracht moeten doen, ik kan je het pad laten zien en als het wat te donker wordt kan ik een lichtje voor je opsteken, meer kan ik niet doen.’
‘Dat dacht ik wel, ik had ook niet verwacht dat er een simpele oplossing was: een boom valt ook nooit twee keer in de zelfde richting, om ook maar een beeldspraak te gebruiken.’
‘Dat is een goeie, zelf bedacht?’
‘Ja, net.’
‘Dat wordt nog wel is wat.’
‘Zegt die oude dame, laat maar is zien of je nog conditie hebt,’ en weg is hij. En inderdaad, verderop zie ik een klein huisje staan waar hij kennelijk op af draaft. Ik onderneem ook een poging maar geef het maar snel op, hij is sneller.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten