Hoofdstuk 3

‘Ik ben hier niet zover vandaan aan de kant van de weg geboren. Mijn vader had daar een garage en pompstation, waarschijnlijk heb je het wel gezien toen je in de bus zat hierheen, vlak voor de afslag naar het dorp. Het was een eenzame bedoeling daar, zoals je gemerkt heb is het nog een paar kilometer naar het dorp als je de grote weg verlaat, dus mijn vriendjes woonden niet bepaald om de hoek. Mijn vader moest het vooral hebben van de auto’s die tankten als ze op doorrijs waren, het volgende tankstation was hier toentertijd meer dan 300 kilometer vandaan, vandaar. Met de garage ging het ook goed, iedereen hier uit de buurt die wat met zijn auto had kwam bij mijn vader, maar ook als de motorzaag kapot was of de fiets. Hij had twee man in diens, één daarvan heb ik goede herinneringen aan. Hij was toentertijd al oud, hij was piloot in de eerste wereldoorlog geweest en later monteur in de tweede, hoe hij hier is beland weet ik nog steeds niet maar hij had altijd fantastische verhalen. Hij sliep in de kamer naast mij en soms kropen we in de nacht samen door het raam naar buiten om aan de blik van mijn vader te ontsnappen en dan klommen we in een oude boom en vertelde hij zijn verhalen, in al die jaren heeft hij nooit het zelfde verhaal verteld, die man had veel mee gemaakt. Hij was ook een soort van tweede vader voor mij, mijn moeder is namelijk overleden toen ik drie was en mijn vader heeft het daar altijd moeilijk mee gehad, hij heeft zijn verdriet nooit echt aan mij getoond, ik begreep dat nooit, ik heb weinig herinneringen aan mijn moeder maar later begreep ik wel waarom hij altijd zo stil was. Altijd maar werken, het was ook wel druk maar ik ben tot mijn achttiende nooit op vakantie geweest maar ik kon nooit boos worden op mijn vader, hij straalde een bepaalde zwakheid uit naar mij zodra we met zijn tweeën aan de eettafel zaten terwijl het een beer van een vent was waar iedereen in het dorp respect voor had, niet allen maar voor zijn omvang hoor, hij was ook een echte vakman. Hij is drie jaar geleden overleden, vrij plotseling nog. Hij werkte nog bijna iedere dag een paar uur in de garage die hij al wel verkocht had aan Tardik, zijn andere personeels lid. Een beetje een kleurloos persoon hier uit het dorp die zijn hele leven voor mijn vader heeft gewerkt, ik heb hem nooit echt gemogen, een gluiperd vond ik hem maar hij zal iets wel goed gedaan hebben want mijn vader mocht hem wel. Reinhard, de oude piloot hete zo, hield hem altijd voor de gek waardoor hij helemaal zenuwachtig werd. Één keer vroeg hij Tardik een auto vol te tanken waarvan hij de vulopening stiekem had verlengt naar de ondergrondse opslag tank, Tardik wist niet hoe hij zich moest gedragen nadat hij al tien minuten met dat tankpistool in zijn handen stond. Dat verzin je toch niet zulke grappen, hij wist wel hoe hij het leven jus kon geven, om met jou woorden te spreken. Ja, Reinhard was een goede vent, op zijn tachtigste vertrok hij echter van het ene op het andere moment, het leek wel of hij gezocht werd. Ik heb nog wel een briefje gevonden later die dag die onder mijn kussen, er stond alleen maar sorry op en dat ik zijn beste kameraad ben geweest, meer niet, ik heb het nooit begrepen waarom hij zo plotseling weg moest. Mijn vader heeft daarna nooit meer over hem willen praten, hij heeft mij zelfs niet willen vertellen wat er aan de hand was toen ik allang getrouwd was, alsof hij mijn jeugdherinneringen niet wilde besmetten, het is mee gegaan naar zijn graf in. Dat was mijn jeugd dus, drie mannen en geen moeder aan de kant van de weg in een héél groot bos. Naast mijn stille vader waren die bomen ook mijn stille vrienden en aangestoken door Reinhard verzon ik verhalen die de bomen mij vertelde. Ik praatte veel met de bomen en vele kende ik ook, natuurlijk staan ze altijd op de zelfde plek maar ze hadden allemaal een eigen karakter, voor mij tenminste, waar ik ze aan herkend. Ik heb zelfs wel is gedacht dat ik kon zien of ze blij waren of treurig. Ik ben dus eigenlijk automatisch in de “bomen” terecht gekomen toen ik moest kiezen wat ik wilde worden. Mijn vader had gelukkig al wel door dat ik niet de minste interesse had in techniek dus hij heeft mij nooit iets op gedrongen, hij heeft het ook nooit erg gevonden volgens mij, eigenlijk vond hij helemaal niks meer na mijn moeders dood, wel treurig eigenlijk, vooral na wat jij mij verteld hebt vanmiddag’. En Gerderik zucht even diep en gaat dan verder met zijn verhaal: ‘Ja, ja, mijn vader, misschien kunnen we het daar later nog is over hebben? Van mijn 16e tot mijn 18e heb ik hier in het dorp voor een houtzagerij gewerkt, ik had wel plannen om weer naar school te gaan maar de bosbouw opleiding die ik wou volgen was hier een paar honderd kilometer vandaan en ik had er geen trek in om daar heen te gaan en veel jongens gingen hier werken na de basis school. Maar in het stadje hier ongeveer 60 kilometer vandaan kwam een nieuwe school voor de bosbouw dat hier de belangrijkste industrie is. Ze hadden kennelijk door dat geschoold personeel ook wat waard is dus eindelijk brak de moderne tijd hier ook aan. Het heeft echt een groot effect gehad op het leven hier, voor het eerst in generatie kwamen er hier mensen wonen met nieuwe inzichten, niet alleen de kinderen die voor een paarjaar naar de stad gingen om een vak te leren brachten nieuwe gewoontes mee maar ook grote bedrijven kregen in één keer interesse in deze gebieden nu er gemakkelijker geschoold personeel te krijgen was. Die grote bedrijven brachten ook allemaal hoger geschoold personeel met zich mee en niet allen maar bosbouwers, onderzoekers, administratie personeel, bazen, noem maar op. In ons dorp woonde misschien 600 mensen toen ik 18 was en in de directe omgeving nog is 300 misschien, wel je hebt het dorp nu gezien. Een Bibliotheek is er nu en meerdere scholen en zelf een klein winkelcentrumpje en ik denk dat er nu meer dat 11000 mensen wonen. Wat zo’n opleiding niet allemaal teweeg kan brengen hè en het leven is er hier ook nog is beter op geworden en, het bos is hier zo groot dat de rust nooit verstoord zal worden. Mijn opleiding duurde drie jaar en hoewel ik op die school Evelien heb leren kennen heb ik er verder weinig goede herinneringen aan, ik miste het bos en mijn vader. Na mijn opleiding kon ik meteen aan de slag, eerst als tweede man en later als eerste verantwoordelijke voor een groot gebied waar ik verantwoordelijk was en ben voor de kap en aanplanting van bomen. Het bedrijf waar ik voor werk levert de grondstoffen voor de palet industrie. De grootste afnemer is de op drie na grootste daarin ter wereld, een grote kans dat als je een palet ziet dat ik de boom heb aangewezen waar hij uit gemaakts is. Evelien en ik zijn eigenlijk vrij snel getrouwd en na een kort verblijf met zijn tweeën bij mijn vader in het huis hebben we ons eigen huis gekocht in het dorp. Het leven is eigenlijk goed geweest voor ons sindsdien, we hadden wel graag kinderen willen hebben maar dat is nooit gelukt, volgens de dokter ligt het aan mijn zaad, hij zal wel gelijk hebben. Evelien vertaald buitenlandse boeken, vooral franse, ze heeft een jaar in Frankrijk gewoon voordat ik haar leerde kennen, ik denk dat ze het naar der zin heeft hier in het bos, ze komt hier tenslotte ook niet zo ver vandaan. Mijn werk bevalt mij ook nog wel, de wereld veranderd en de ideeën over bosbouw veranderen mee. Regelmatig volg ik lezingen in het land of ben ik een paar weken weg voor een opleiding, als bedrijf hebben we de hoogste rendement cijfers per hectare, ik persoonlijk heb mee gewerkt aan een geautomatiseerd systeem die de bomen niet meer in lelijke rechte lijnen zet maar meer random waardor het meer op een echt bos lijkt wat goed is voor het toerisme en we hebben niks ingeleverd in efficiëntie, in tegendeel zelfs. Toerisme is nu de tweede industrie hier, vandaar dat kleine museumpje hier waar jij hier voor kwam. En nu zit ik dus hier met jou in ons vakantie huisje, niet zo spannend als jou leven maar meer kan ik er niet van maken.’

En Gerderik kijkt mij aan alsof hij als zesjarige een tekening aan zijn juffrouw geeft ter goedkeuring. Het is inderdaad een doodsaai leven, toen ik net geboren was wees hij hier al bomen aan en hij doet het nog steeds en als ik straks zo oud ben als hij nu is dan doet hij het nog steeds. Kennelijk haalt hij zijn voldoening uit de prestaties van het bedrijf, misschien wil hij wel niet meer zoals hij toen straks beweerde, misschien kan hij wel niet meer. Hij is niet dom dus daar kan het niet aan liggen, ‘je zult wel begrijpen dat ik het een dodelijk saai leven zou vinden als het de mijne was,’ en hij knik zwijgzaam terwijl hij mij aan kijkt. ‘Je vindt het toch niet erg dat ik dat zo zeg?’

‘Nee,’antwoord hij eerlijk,’dat had ik wel verwacht van jou.’

‘Normaal gesproken zou ik vriendelijk gelacht hebben en je gefeliciteerd met je leven maar wij kennen elkaar nu al wat beter en dan vind ik dat je wel eerlijk tegen over elkaar kunt zijn. Ik overdrijf het natuurlijk wel een beetje, het werk wat je doet lijkt mij ook interessant maar je doet dat al meer dan 40000 uur en ik kan mij zo voorstellen dat daar een hoop de zelfde uren bij zitten.’

‘Zoveel uur?’

‘Ja,’en ik reken het hem voor,’en dat maal 25 jaar is dus meer dan 40000 uur.’

‘Dat is wel veel ja, zo had ik het nog niet bekeken.’

‘Wat vind je daar van?’

‘Ik heb je al eerder verteld dat ik een paar jaar geleden wel wat anders had willen doen maar ja…zo is het leven toch? Iedereen moet werken voor de kost, ik kan moeilijk niks gaan doen, een beetje profiteren van anderen of zo? Ik zou niet weten wat ik met al die vrije tijd zou moeten doen. Wat zou jij doen dan?’

‘Dat zou ik niet weten, als ik jou was geweest had ik misschien wel het zelfde gedaan. Ik denk niet dat je zo levens met elkaar kan vergelijken ik kan je alleen vertellen wat ik er van vind vanuit mijn standpunt gezien. Ik ben alleen maar geïnteresseerd in jou beweegredenen en daarmee naar die van vele anderen omdat de meeste mensen zo leven zoals jij dat doet.’

‘Hoezo!’ Reageert hij op die laatste opmerking.’ Iedereen heeft toch een ander leven, ik kan mij niet voorstellen dat er twee levens zijn die hetzelfde zijn.’

‘Daar heb je gelijk in, ieders levenloop is anders en we zijn allemaal unieke individuen maar je moet goed begrijpen dat ik het leven heel anders bekijk, dat heb je al wel aan het soort vragen dat ik je stel gemerkt.’

‘Ja dat klopt.’

‘De meeste mensen zullen je vragen hoe het gaat en dan willen ze weten hoe het thuis gaat en op je werk of je nog vis vangt, noem maar op.’

‘Ik denk dat jij de eerste bent die mij heeft gevraagd wat een mens is, jij stelt rare vragen…Reinhard kon ook wel is dat soort vragen stellen maar toen was ik nog heel jong en hij was ook een rare.’

‘Dat laatste vat ik maar op als een compliment maar Reinhard vroeg zich waarschijnlijk ook af waar het leven toe dient en met alle respect voor jou, jij doet dat niet echt net zoals de meeste mensen dat niet doen.’

‘Waar het leven toe dient,’ En Gerderik staat op zonder verder wat te zeggen en loopt naar een deurtje, hij opent hem en daar zie ik een wc-pot, het toilet dus. Hij gaat zitten en doet de deur dicht en ik hoor nog wat gemompel door de deur heen: ‘w..r e.. oe.. ient.’ We zijn nog niet zolang hier in de hut, ik neem net mijn laatste slok van de koffie en ik zit hem nu al weer achter de hielen. Waarom voel ik mij daar toch zo schuldig om? Ik begin er toch zelf om, soms verdenk ik mijzelf ervan dat ik net zo’n automaat ben als hij is, ik kan alleen maar lastige vragen stellen en hij kan alleen maar zijn leven aan zich voorbij laten trekken. Wat is nou uiteindelijk het verschil tussen ons twee? Uiteindelijk maakt het natuurlijk allemaal niets uit maar dat wil ik niet geloven, dat zijn mijn depressieve gedachtes, mijn zieke lichaam geeft mij die ideeën maar, als ik zo ontspannen praat dan voel ik mij alleen maar positief, dan ben ik in mijn element, misschien net zo in mijn element als Gerderik is in het zijne, ach, die verdraaide vicieuze cirkel, domme wereld,’en ik hoor doorspoel geluiden,’laat ik nog maar is wat koffie in doen. ‘Was het fijn?’ Vraag ik.

‘Jij weet wel wat rare vragen stellen is zeg, ja, het was fijn. Misschien dient het leven daar wel toe,’zegt hij met een wijs gezicht.

‘Dat het fijn is?’ Vraag ik, mijn hand opstekend en niet wachtend tot ik aan de buurt ben.

‘Néé dommerd…poepen.’

‘Oho, ik rook al zo iets.’

‘Waarom niet, ik kon niks filosofiescher verzinnen op de wc.’

‘Zoals zoveel dingen,’ga ik serieus verder op zijn idee,’ die we doen in het leven kun je het poepen ook als het uiteindelijke doel van de mens zien, het leven, om het wat breder te trekken. Maar dan moeten we wel eerst wat aannemen, bijvoorbeeld: het doel van het leven is een rotsklomp maken die niet grijs zwart is zoals de maan maar blauw, zoals de aarde bijna. Als je er dan voor zorgt dat er een systeem komt die een atmosfeer voortbreng zoadat er leven komt, dan kan er via de mest een atmosfeer ontstaan die weer meer levensvormen toestaat en uiteindelijk de mens die niet alleen poept en zo het broeikaseffect verhoogt maar die ook, door de evolutie zo zijn geselecteerd dat ze alle zelfvernietigend kwaliteiten heeft die de eens zwart grijze aardbol nodigt heeft om het broeikaseffect zo te verhogen dat ooit de hele wereld één zee is…en dus mooi blauw. Ik vind dat een hele goede van jou Gerderik, zo had ik er nog niet bij stil gest…zeten.’

‘Heb jij daar al eerder over na gedacht,’vraagt hij met grote ogen nadat ik het er zo uit geflapt had,’of verzin je dat nu, hier terplekke?’

‘Nee hoor, dat komt gewoon, dat verzin ik hier terplekke.’

‘Daar moet je wat mee doen.’

‘Dat doe ik, ik filosofeer. Maar zonder gekheid, heb je enig idee waar het leven toe dient?’

‘Ik kan niks verzinnen om eerlijk te zijn.’

‘Dat is een standpunt die ik volledig met je deel.’

‘O, ik had wel wat meer van je verwacht,’ en hij schenkt nog wat koffie in.

‘Wacht maar, er komt nog veel meer maar ik kan je al wel verklappen dat, hoewel het uiteindelijk allemaal nergens om gaat je, je als mens wel kunt voorstellen, waar we het al over gehad hebben, dat het ergens over gaat en dat in die voorstelling al onze mogelijkheden als mens ook benut zouden moeten worden en niet als de even nutteloze dieren en planten gewoon maar wat moeten vegeteren. Planten en dieren hebben geen bewustzijn dus realiseren ze zich niet dat het helemaal nergens om gaat, een plant of dier weet niet dat het gelukkig of ongelukkig is, dat voelt het hoogstens alleen maar. Een mens voelt het niet alleen maar wij realiseren het ons ook nog is en dat stelt ons boven de planten en dieren. Als mens zouden wij de plicht moeten voelen ten opzichte van het nutteloze om in ieder geval te doen dat het ergens over gaat en dan bedoel ik dus niet vertellen dat, in mijn geval, het maken van mode geïnspireerd op oude tradities ook maar ergens toe doet. Voor het bedrijf waar ik voor werk misschien en als motivatie van mijn keuze vertel ik ook dat het de mensen op die manier bewust maakt van de traditie maar dat zijn maar tijdelijke doelen die ons tijdelijke bestaan in stand houden, de mensen zouden uit zichzelf daarvan bewust moeten willen worden zodat ik mijn kostbare leven niet aan dat soort werk…onzin hoef te besteden. Het leven zou niet uitsluitend moeten worden besteed aan werken om andere mensen in leven te houden en, ook weer aan het werk te houden, dat houd nooit op. Het leven zou moeten bestaan uit genieten van die mooie planeet waar wij op leven en het leven, leven als een vakantie, gewoon lekker niksen en je hoeft helemaal niks, net zoals op vakantie. Zo denk ik er in het kort over, tussen die droomwereld en de zogenaamde werkelijkheid bevind ik mij meestal en mijn overlevingstechniek kan ik je meedelen zoals ik op de wandeling hierheen al voor een deel heb gedaan en als je nog steeds behoefte er aan hebt kan ik je de komende dagen de rest vertellen.’

‘Dat ging mij wat snel maar leven zoals tijdens een vakantie dat wil iedereen wel dus dat klinkt goed.’

‘Dat wil iedereen wel hè,’vraag ik als ik op sta voor mijn beurt op de pot. Ik doe het deurtje dicht en schreeuw er door heen:’waarom doet niemand dat dan?’ En druk…het licht aan.

‘Ik ga koken,’hoor ik Gerderik zeggen nu ik hier nog zit. Aan het hout te zien om mij heen en de hele afwerking is dit al een oude hut. Bruin en donker zoals een blokhut eruit hoort te zien. Functioneel maar met veel meer karakter dan de moderne blokkendozen waar ik voornamelijk in heb gewoond. Als ik het wc deurtje dicht doe achter mij nadat ik heb doorgetrokken zie ik dat er nog een tweede deurtje is, waarschijnlijk naar de slaapkamer, de rest van de ruimte is vierkant met een grote, uit ronde natuurstenen opgebouwde schouw van een zwart geblakerde openhaard. Je ziet de ronde stammen waaruit de blokhut is op gebouwd met wat schilderijtje van landschappen aan de wanden en, hou cliché, een hertengewei. Het is net als in zo’n oude western film waarin de held in de bergen woont in net zo’n oude hut als deze. Gerderik is ergens in aan het roeren, als ik dichter bij kom voel ik de warmte van het houtverwarmde fornuis, twee grote zwarte bakpannen staan op het fornuis en het vet spettert heftig als Gerderik het vlees en de aardappels er in doet. ‘Dat ziet er goed uit,’vertel ik hem eerlijke,’en wat een fantastische hut is dit, precies zoals een blokhut eruit moet zien.’

‘Het is ook een blokhut, dus hoe kan hij er anders uitzien dan een blokhut.’

Ik pak een lange vork en draai het vlees om, Gerderik is wat kleine bladeren aan het fijn snijden, het ruikt lekker, ’Je hebt de smaak wel te pakken merk ik, dat is een echte filosofische opmerking die je maakt.’

‘Hoe bedoel je,’en hij kijkt mij aan terwijl hij met de achterkant van het mes de kleine groene blaadjes de braadpan met het vlees in schuift.

‘Wel, je hebt gelijk door te zeggen dat dit een blokhut is dus hoe zou het er anders kunnen uitzien dan een blokhut, het is een soort oerbeeld van een blokhut dat in mijn hoofd zit en deze hut lijkt daar op.’

‘Een oerbeeld,’ en Gerderik pakt een oude, volgens mij tinnen, strooier van het schapje dat vol staat met strooiers, bordjes, koppen en van alles dat ik zo snel niet kan zien, het zou in een museum niet misstaan in ieder geval. Hij gaat verder terwijl hij de bakkende aardappels kruid: ‘Maar zit een oerbeeld niet al vanaf de oertijd in je hoofd?’

‘Ik bedoel met oerbeeld eigenlijk dat beeld in mijn hoofd dat dé blokhut voor mij vertegenwoordigd.’

‘Heb je daar dan een plaatje van in je hoofd?’

‘Niet een plaatje dat ik kan zien in ieder geval. Vergelijk het met een mooie man of vrouw, het is heel moeilijk om daar een beeld van te vormen in je hoofd, een beeld van jou “oer” man of vrouw zeg maar. Je kunt wat kenmerken opnoemen zoals de kleur haar of zoal bij deze hut het gewei aan de wand maar een volledig beeld ervan is moeilijk voor te stellen laat staan uit te leggen maar zodra je een man of vrouw ziet die voldoet aan dat oerbeeld dan herken je het, voornamelijk onbewust maar je herkend het, als een puzzelstukje dat op zijn plaats valt.’

‘Volgens mij kan ik jou prima vertellen hoe een mooie en perfecte boom eruit ziet, daar is niks onbewust aan hoor.’

Ik draai het vlees nog een keer om en meteen maar de aardappels, Gerderik is de tafel aan het dekken dus die taak neem ik ook maar op mij, ‘Laat maar horen dan.’

‘Een grove den bijvoorbeeld, die moet mooi lang zijn met een stam die in de juiste verhouding verjongt en de takken moeten mooi evenwijdig verdeeld zijn, dat soort dingen, ik zie hem zo voor mij.’

‘Heb je ooit de perfecte boom gezien?’

‘nou nee, niet perfect maar wel bijna, kun je mij die placemats even aangeven.’

‘Ja, maar wat omschreef je daar net dan? Deze lelijke?’

‘Die ja, de perfecte boom.’

‘Die je nooit gezien hebt dus.’

‘Nee die heb ik inderdaad nooit in het echt gezien, ik denk ook niet dat die bestaat.’

‘En als je nou door het bos loopt en je ziet een mooi boom wat gebeurt er dan vlak voordat je die boom ziet,’vraag ik hem verder terwijl hij de houten spatel uit mijn hand neemt en weer in de aardappels begint te roeren, zo naast mij staand gaat hij verder:’ Vlak voordat ik hem zie hè?’

‘Ja.’

‘Tja, weet ik eigenlijk niet, ik zie gewoon een mooie boom denk ik.’

‘Je denkt dus niet van wat een mooie stam die daar in de juiste verhouding verjong en wat een mooie verdeling van de takken?’

‘Nee, ik zie al waar je heen wilt, het is het puzzelstukje dat op zijn plaats valt, het oerbeeld van de boom in mijn hoofd.’

‘Ja, daar wil ik naar toe maar je snapt hem al.’

‘Ik denk het wel. Ik denk ook dat het eten klaar is, hoe staat het met het vlees?’

‘Volgens mij is het vlees wel goed.’ En we zetten de pannen op tafel en beginnen de maaltijd.

‘Het vlees ziet er goed uit,’zegt Gerderik,’ en het smaakt ook goed, zo smaakt oervlees ook volgens mij,’ en hij kijkt mij aan, ‘helemaal snappen doe ik het nog niet.’

‘Waar ik eigenlijk heen wil is om te laten zien dat de wereld niet zo rationeel is als het op schoonheid aankomt en nu is het niet zo van belang hoe ik aan mijn beoordeling kom van deze hut of jij van een boom maar de zelfde systemen werken ook bij het beoordelen van bijvoorbeeld andere mensen of de normen die je volgt. Het lijkt allemaal op rationele beslissingen waarvoor je kunt aanwijzen waarom je dat vind net zoals jij dat denkt te doen bij de beoordeling van die boom.’

‘Maar ik snap het nog niet helemaal volgens mij, waar dat beeld vandaan komt, waar dat zit, heb je nog een voorbeeld?’

Ik kijk, nadat ik een hap heb genomen, rond in de hut of ik iets zie wat mij kan inspireren. Op één van de schilderijen zie ik een veld met zonnebloemen, ‘Wat vind je van dat schilderijtje daar,’en ik wijs achter hem.’

‘Met die zonnebloemen erop?’ En hij kijkt niet om.

‘Ja, wat vind je daarvan?’

‘Niet echt bijzonder, ik weet niet eens waar het vandaan komt.’

‘Het is inderdaad niet zo bijzonder maar ben je wel is in een museum geweest waar schilderijen hangen van bekende schilderes?’

‘ja toevallig nog niet zo lang geleden, Evelien is een boek aan het vertalen over Vincent van Gogh en toen zijn we naar een tentoonstelling gegaan die toevallig hier in het land was.’

‘Nou, dat kan haast niet mooier, dan heb je de zonnebloemen van hem ook wel gezien?’

‘Ja, dat klopt, heel mooi.’

‘Wat vond je er zo mooi aan?’

‘Moeilijk te zeggen maar ze gaven wel weer hoe mooi zonnebloemen kunnen zijn.’

‘Ze pasten misschien wel over je oerbeeld of gevoel van dé zonnebloem?’

‘Ja, zo zou je het misschien wel kunnen zeggen,’gaf hij knikken toe terwijl hij even op keek van zijn bord.

‘Weet je wat nou zo leuk is,’ en ik bleef hem aan kijken,’Ten eerste is het een schilderij van een zonnebloem dus nooit zo perfect als een echte en ten tweede, als je, je ogen dicht bij het schilderij brengt dan zie je dat het allemaal penseelstreekjes zijn en lijkt het in niks op een zonnebloem, alleen van een afstand bekeken lijkt het op een zonnebloem en nog niet eens een realistische maar de indruk die het je geeft is er wel één van dé zonnebloem.’

Daar moet hij even over nadenken, hij eet in ieder geval zijn mond leeg en zegt dan: ‘Nu je het zegt, dat klopt wel ja. Zo had ik het nog niet bekeken, dus het beeld van dé zonnebloem in mijn hoofd is een beeld wat ik niet kan zien in mijn hoofd?’

‘Noem het maar het idee van de zonnebloem of een boom of deze hut. Ik kan je een gedetailleerde omschrijving geven van het idee of beeld “blokhut” in mijn hoofd en jou wijzen op de donker bruine stammen hier,’en ik wijs ze aan,’of de schouw opgebouwd uit stenen uit het riviertje hier vlak bij maar die stammen en die stenen zal ik niet zien in mijn idee van dé blokhut, ik kan alleen achteraf zeggen dat ze onderdeel zijn van dat beeld en ik kan wel zeggen dat die onderdelen het zijn die deze blokhut zo mooi maakt, of beter gezegd dus, mij een goed “blokhutgevoel”geven maar als ik,’en ik sta op en loop naar een schilderijtje aan de muur dat ook achter hem hangt en wijs er op,’dit blokhutje hier voldoet daar ook aan, die geeft mij ook het blokhut gevoel terwijl het een paar bruine streepjes zijn. Van dit beeld zou ik zeggen dat de ligging die het schilderijtje weer geeft van de blokhut mij een objectieve reden geeft om te zeggen waarom het een mooi blokhut is.’

‘En Gerderik draai zich weer om en wacht niet met spreken tot ik weer zit en zegt: ’Maar je ziet alleen maar een paar streepjes.’

‘Dat klopt, maar het idee van een blokhut is niet alleen maar het huisje op zich maar ook de omgeving, de natuur, de…noem maar op. Allerlei dingen die ik nu weer ga benoemen maar die dus eigenlijk niet echt te benoemen zijn. Op het moment dat je het idee van iets moois, noem het voor mijn part je gevoel van iets moois, probeert te omschrijven dan grijp je altijd terug naar dingen uit de echte wereld om het te omschrijven en daarmee vervals je het dus meteen’

‘Nu maak je het wel een beetje vaag hoor.’

‘Ik geloof het ook ja, een ander voorbeeld, je herkend er de grote kunstenaars aan…als ze met een bepaalde suggestie, wat verf, een zinnetje het “oerbeeld” kunnen aanspreken. Neem de Mona Lisa van Da Vinci…’

‘Die mond,’ onderbreekt hij mij, ‘Haar uitsraling.’

‘Inderdaad, die mond. Da Vinci is zo’n grootse kunstenaar omdat hij als het ware kan tappen in ons gezamenlijke en gedeelde “oerbeeld”of “idee” van de mond of eigenlijk de uitdrukking van haar lach, haar uitstraling en die heeft hij geschilderd. het is gewoon wat verf op een stuk canvas maar bijna iedereen wordt door die lach gegrepen. Wist je dat er allerlei serieuze studies zijn gedaan waarom die lach zo bijzonder is maar ik denk dat iedere grote kunstenaar, of het nou een schilder is, een musicus of een dichter, allemaal staan ze meer in contact met dat wat de mensen beroerd, ontroerd, mooi vinden, noem maar op. Ze staan dichter bij de beelden in onze hoofden die wij hebben van het mooie en het goede.’

‘Ok, ik snap het denk ik al wat beter. Maar…we vinden toch niet allemaal het zelfde mooi?

‘Nee, dat is een feit maar, hoe zal ik dat is zeggen…we hebben ook niet allemaal een even goed ontwikkelde smaak,’ en ik kijk hem aan met een blik waaruit ik laat blijken dat ik hem hopelijk niet beledigt heb.

‘Mij beledig je niet zo snel hoor, ik vind dit ook een mooie blokhut en de mevrouw Lisa heeft een vriendelijke lach maar wil je nou zeggen dat smaak niet iets persoonlijks is?’

‘Op zich is het natuurlijk helemaal persoonlijk, een kleurenblinde zal vinden dat, dat ene schilderij nogal grauw is, dat is zijn persoonlijke beoordeling gebaseerd op de informatie die hij tot zijn beschikking heeft maar helemaal eerlijk is dat natuurlijk niet.’

‘Nee natuurlijk niet, hij is kleurenblind maar dat zijn de meeste mensen natuurlijk niet.’

‘Dat klopt maar ik denk dat we ook niet allemaal even dicht staan bij het “idee van schoonheid” in ons hoofd waar we het over hebben gehad, we zijn allemaal in meer of mindere mate “kleuren”blind voor echte schoonheid.’

‘Maar hoe kun je dat nou weten, als ik iets niet mooi vind en jij wel wie heeft er dan gelijk en ja…je zei net dat iedereen de Mona Lisa wel mooi vind, zelfs die kleurenblinde zal haar lach wel kunnen waarderen. Hoe kan dat dan,’en hij stopt het laatste stuk vlees in zijn mond en legt zijn bestek neer en kijkt mij vol verwachting aan.

‘Zie het zo, stel je voor je zit in een schouwburg en je kijkt naar een toneelstuk. Sommige mensen zitten dicht bij het toneel en anderen zitten er ver vanaf. Stel dat Mona Lisa daar op het toneel staat en lacht, zo indrukwekkend is haar hele voorkomen dat iedereen wel onder de indruk moet raken of je nou vooraan zit of achteraan. Stel nu dat ze ook een paar schoentjes aan heeft die de mensen die meer vooraan zitten hoog waarderen om hun schoonheid, ze kunnen dat omdat ze die schoentjes van dichtbij kunnen zien. Stel je nou voor dat je iemand op de achterste rij vraagt wat hij van die schoentjes vind, hij kijkt maar ziet het niet zo goed maar, omdat we nu éénmaal mens zijn zeggen we meestal niet dat we het niet goed kunnen zien maar geven we een mening, gebaseerd dus op dat slechte zicht.’

‘Dus je wil zeggen dat sommige mensen gewoon geen verstand hebben van wat mooi is omdat ze verder weg zitten van het idee schoonheid, die schoentjes in jou verhaal?’

‘Ja, het woord verstand is misschien wat te expliciet maar vooruit, ja.’

‘Dat vind ik een rare gedachte als ik zo vrij mag zijn, ik weet niet hoe ze daar bij jou in de stad over denken maar hier bepaald iedereen zelf wel wat mooi is.’

‘Dat is niet anders hoor waar ik vandaan kom, iedereen denkt daar ook dat ze dat zelf bepalen.’

‘Denken,’en hij staat op om de spullen op te ruimen die op tafel staan, ik help hem mee.

‘Ja denken,’reageer ik,’ neem de mode maar.’

‘de mode, daar heb ik niet zo’n verstand van hoor ik koop altijd wat ik mooi vind.’

‘Dat klopt, je koopt altijd wat je mooi vind maar wat je 20 jaar geleden droeg en toen mooi vond kun je nu niet meer om aan te trekken vinden.’

‘Dat weet ik niet hoor, ik heb nog steeds een jas die ik al heel lang heb, ik zou niet zonder willen.’

‘Deze placemats dan,’en ik laat ze de placemats zien die ik net aan het schoon maken ben.

‘Ja, die hadden we vroeger in huis, die hebben we maar hier heen gebracht, die zien er niet meer uit…’ en hij kijkt mij aan als hij met twee vingers aan de placemats voelt, ‘o.k. ,ik snap wat je bedoeld, ik vond ze inderdaad mooi vroeger, we hadden ons hele huis in die kleuren dus het paste goed.’

‘Het was toen in de mode, net zoals kleding in de mode kan zijn,’en ik berg ze op.

‘Maar mijn smaak is gewoon veranderd, dat is toch normaal?’

‘Je smaak kan inderdaad veranderen maar de kans is groter dat je dat mooi vind wat op dat moment in de mode is omdat…’

‘Omdat ik verder van het toneel afzit en er geen verstand van heb,’onderbreekt hij mij.

‘Ja, zo zou je het kunnen zeggen, je weet zelf niet wat te kiezen en vind dat mooi wat anderen voor jou gekozen hebben.’

‘In mijn geval kan dat wel kloppen, Evelien die koopt mijn kleding meestal maar er zijn toch genoeg mensen die kopen wat ze mooi vinden?’

‘Ze zijn er wel ja maar waarom vinden ze het jaren later dan niet meer mooi?’ En ik ga weer aan tafel zitten, Gerderik is de laatste restjes aan het opruimen en gooit wat aardappels naar buiten, als hij weer naar mij toe gedraaid is zegt hij: ‘Omdat hun smaak veranderd is denk ik nog steeds.’

‘Dus wat mooi is kan door de tijd veranderen?’

‘Tja, kennelijk wel dan, als je smaak kan veranderen, wil je nog een bak koffie?’

‘Ja, lekker. En de Mona Lisa dan?’

‘Wat is daar mee?’

‘Die vonden ze honderden jaren geleden ook al mooi, die is kennelijk niet aan mode onderhevig.’

‘Maar dat is kunst.’

‘We hadden het over wat mooi is en of wat mooi is door de tijd kan veranderen. De Mona Lisa is door een grootse kunstenaar gemaakt die, om bij het voorbeeld van het schouwburg te blijven, vooraan zat. De meeste mensen die kleding kopen zitten meer naar achteren en hebben minder idee van wat mooi is en daarom kopen ze dat wat er in de mode is om toch een houvast te hebben zegmaar en voornamelijk onbewust het idee te hebben dat ze het echt mooi vinden. Als dan later de mode weer veranderd kunnen ze zo overschakelen naar wat dan in is,’ en ik kijk hem aan of hij mij nu begrijpt. Hij draait zich om en zet twee nieuwe mokken op de tafel en gaat even zitten, na wat geknik bevestigd hij mijn gedachte: ‘Ik denk dat ik begrijp wat je bedoeld maar die mensen die de mode maken die zijn toch niet dom, die weten toch wel wat mooi is, die kunnen toch wel iets maken wat tijdlozer is?’

‘Waarschijnlijk kunnen ze dat wel ja maar meestal doen ze dat niet. Je hoeft niet “niet dicht bij het toneel te zitten” om toch mooie dingen te kunnen maken, tijdelijk mooi, dat wel, het kan er ook goed uit zien. Waarschijnlijk worden ze geïnspireerd door trend watchers of kopiëren ze simpelweg een stijl van een goede ontwerper, ze zitten verder van het toneel dus ze moeten toch ergens hun houvast vandaan halen net zoals de meeste mensen die de mode volgen dat ook doen.’

‘Dus je kunt wel tijdloze mode krijgen?’

‘Ja hoor, denk maar aan haute couture mode, die kunnen soms tijdloze mode maken of simpeler een Levi’s 501 spijkerbroek, die bestaat al decennia lang en is nooit uit de mode geweest en ikzelf heb heel wat klederdracht gezien en hoewel ik niet alles mooi vind heeft het wel altijd een tijdloos karakter.’

‘Dus jij vind ook niet alles mooi?’ En hij staat op om de koffie in te doen.

‘Nee, natuurlijk niet, iedereen is wel op één of andere manier beïnvloed in wat hij wel of niet mooi vind maar uiteindelijk geloof ik er wel in dat er, als het ware, regels zijn op te stellen van wat wel en niet mooi is.’

‘Nu kom je weer met regels aan zetten,’en hij zet een kop koffie voor mij neer en gaat zitten tegenover mij.

‘Ik zeg ook als het ware, je hebt wel gemerkt hoe omslachtig ik dit idee van schoonheid al moest vertellen aan jou, ik ben daar zelf nog niet klaar mee dus waar het precies op uit draait weet ik nog niet.’

‘O.k. dat snap ik maar over je angst voor de dood en wat je daar mee bedoeld daar weet je wel duidelijker van hoe je dat ziet?’

‘Wel wat duidelijker ja, wil je het daar weer over hebben? Of heb je er genoeg van voor vandaag?’

‘Ik kan nog wel even doorgaan hoor ik heb nu de smaak te pakken, heb jij er nog wel zin in?’

‘Moet ik adem halen? Kijk ik hem verbaast aan.


Hoofdstuk 2

De zon is nog behaaglijk warm aan het begin van de herfst, en als hij weer achter een wolk vandaan komt dan voel je de kracht van die vuurbol hier miljoenen kilometers vandaan. Het blijft mij altijd fascineren dat die zon het zelfde gevoel geeft als een straalkacheltje van 1000 watt die vlak voor je staat, hoeveel energie zou de zon verbruiken? God zal wel een hoge energie rekening krijgen iedere maand. Ik heb mijn schoenen en sokken ondertussen uitgetrokken om ze wat te laten drogen en is Gerderik al moperend het zelfde aan het doen. Hij klaagt dat hij nu de hele terugreis met natte schoenen moet lopen en ik verwonder mij hoe iemand die toch wel vaker in het bos komt, vooral dit natte, mossige bos, kan klagen over natte schoenen. Zijn natte broek trekt hij ook uit en hangt hem over een tak, zwijgend begint hij takken te zoeken al lopend op zijn blote voeten tussen de lage boompjes… Berken denk ik. Ik zal hem maar helpen, hij zal wel een vuur willen maken om de zon een handje te helpen. Mijn vrienden in de stad, speciaal de deftige kant, zullen dit wel een absurd tafereel vinden, op je blote voeten, half naakt door een bos lopen in de herfst. Ik verbaas mij over niks meer, daar heb ik al genoeg voor mee gemaakt en Gerderik vind het blijkbaar ook niet raar want hij stapt rond alsof hij schoenen aan heeft. Ik let nog een klein beetje op waar ik mijn voeten neer zet om niet op een gemene tak te gaan staan. Het valt mij op dat hij kan mopperen over zijn natte schoenen zoals mijn deftige vrienden dat doen als ze in een plas zijn gaan staan op het trottoir maar vervolgens loopt hij halfnaakt hier rond alsof er niks aan de hand is. Dit is zijn omgeving en hoewel mijn vrienden ook wel zouden klagen over hun natte schoenen, ze zouden ook door gaan, niet op blote voeten denk ik… Wat heb ik weer een nutteloze gedachtes, waar dat nou weer vandaan komt?

‘Gerderik, ga je een vuurtje maken?’ Vraag ik hem al brandhout zoekend.

‘Ja.’ Klonk het zwijgend.

‘Je bent toch niet boos op mij omdat ik je liet schrikken op die steen en nu nat bent?’

‘Nee hoor,’ en tijdens het breken van een lange opgedroogde tak zegt hij: ‘Het was een goede grap,’ en met dat zeggende brak de tak met veel gekraak door midden, hij kijkt mij nog steeds niet aan.

‘Weet je Marit.’

‘Wat.’

‘Ik loop hier niet te mopperen op jou hoor, een nat pak vind ik niet fijn maar dat is niet de reden dat ik wat stil ben. Jij vertelde net, vlak voordat we overstaken dat je bang bent voor de dood bent. Om één of andere reden volgde meteen de gedachte, in mijn hoofd, dat je voor veel andere dingen niet meer bang zult zijn dan.’

‘Da…’

‘Wacht even, ik ben nog niet uit gepraat,’ Onderbrak hij mijn twijfelachtige bevestiging, ‘Ik was namelijk meteen daarna nat en het eerste wat er door mijn hoofd schoot was mijn tocht naar huis. Het goede gesprek tot nu toe was weg en ik zag mijzelf alleen maar lopen met natte schoenen. Ik ben bang voor natte voeten dacht ik en ik loop hier met een jonge dame, uit de stad nog wel en ook nog is bijna twintig jaar jonger en die maakt zich nergens druk om. Je stapt ook nog het water in om mij te helpen terwijl je ook vanaf de kant mij een handje had kunnen geven. Ik voel mijn nu nog al een…Eeuh, hoe noemen jullie dat, een lozer?’

‘Een loser,’ verbeterde ik hem.

‘Een loser ja, een beschuittrommel zouden wij hier zeggen.’

‘Een beschuittrommel?’

‘Ja, ook als er wat in zit dan is het nog voornamelijk lucht.’

‘Een domoor, grapjas…Haha hahaha Wel een goeie.’ Veel tijd om te lachen gun ik mijzelf niet, hij is opmerkzamer dan ik dacht. Ik heb wel vaker de neiging mijn gesprekspartners dommer in te schatten dan ze in werkelijkheid zijn, niet de alleraardigste trek van mij en ik weet niet of het meer voor of tegen mij werkt. Maar ik ben blij dat Gerderik nu al snapt waar mijn angst voor de dood op uit zou moeten draaien, nu maar is uitvinden hoe hij bij die conclusie is gekomen. ‘Dat heb je goed opgemerkt Gerderik, zo zie je maar dat alles ook een nuttige kant heeft, jou natte voeten hebben je een ingeving gegeven.’

‘Zo had ik het nog niet bekeken, ben jij altijd zo snel in het zien van de positieve kant?’

‘Altijd is een groot woord, krijg jij altijd je kampvuur aan?’ Kaatste ik de bal terug.

‘Niet altijd nee… Maar ik ben er wel goed in…’Hij legde de taken neer van klein naar groot en halverwege de bouw voegde hij aan zijn laatste zin toe: ‘Altijd is inderdaad een groot woord.’

‘Tijdens het filosoferen,’ ging ik verder,’ tijdens het “mens” zijn eigenlijk moet je zeer voorzichtig zijn met woorden als altijd, moeten of zinnetjes als zo is het of dit is de waarheid. Wij zijn niet echt in de positie om dat soort waarde oordelen te vellen. Ik weet niet eens zeker of er wel een “positie”is van waaruit je dat wel zou kunnen doen.’

‘Maar…’En hij kijkt mij aan,’ jij zei net moeten, je moet zeer voorzichtig zijn etc, etc. Hoe verklaar je dat dan?’

‘Daar heb je een punt. een zeer lastig punt. Ten eerste is het in onze dagelijkse taalgebruik nog al gebruikelijk om dat soort woorden en zinnen te gebruiken. Je zou dus een onderscheid kunnen maken tussen dagelijks en filosofisch gebruik. Je moet bijvoorbeeld naar de wc, niet omdat iemand je dwing, je kunt ook niet gaan, je ontploft vanzelf maar hier is moeten een soort van algemeen geaccepteerd advies, je moet dit of je moet dat. Ik gebruikte hem net op die manier, als mens moet je…’ En ik maak een draaiend gebaar met beide handen voor mijn mond alsof de rest van de woorden er geluidloos uitrollen. ‘Ik kan dat natuurlijk niet bewijzen en dat brengt mij op het filosofische moeten of liever gezegd het wetenschappelijke moeten. Alleen de ervaring kan je vertellen dat alles dat de mens altijd dacht, wat moest, de wereld als een schijf zien bijvoorbeeld, op een zeker moment ook anders kan. In de wetenschap is het vrij normaal om iets te beweren maar er meteen bij te zeggen dat het in de toekomst wel weer anders kan zijn, nieuwe inzichten, noem maar op. Dus ik hou vol dat je moet proberen niet te proberen iets te moeten.

‘Die eerste moeten is als het moeten poepen?’ Vraagt Gerderik.

‘Ja, zo zou je het kunnen zeggen.’

‘En die tweede moeten is als het afvegen na het poepen.’

‘Ja, inderdaad, daar kun je inderdaad over debatteren, dat is cultuur en tijd gebonden,’zei ik mijn lag onderdrukkend.

‘Is die laatste zin van jou dan een contradictie?’ Vraagt hij mij terwijl hij voorovergebogen tegenover mij zit met zijn mond vlakbij de piramide van hout, al blazend en pratend vraagt hij verder.’Een contradictie noem je dat toch,’zich herhalend,’een tegenspraak,’en hij kijkt op.

Ik knik, ‘er zit wel wat tegenspraak in maar het is een mysterieus onderwerp en ik ben er zelf nog niet over uit. Alle filosofen hebben zich er wel is mee bezig gehouden en ikzelf heb het gevoel dat er niet één filosofisch boek is dat zichzelf niet ergens tegenspreekt. Het lijkt wel of een waarheid nooit verkondigt kan worden zonder zijn tegenhanger maar deze gedachtes borrelen en pruttelen nog ergens op een laag vuurtje in mijn bovenkamer, ze zijn nog lang niet gaar.’

Het vuur is inmiddels aan gegaan en de extra warmte voelt behaaglijk aan, aan mijn koude rug te voelen. Uit de rugzak komt koffie en broodjes die goed smaken. Een heerlijke peuk en een tweede bak koffie doen mij weer even realiseren hoe fijn het is om te leven. Hier in de stilte van het bos, een goed gesprek, ver weg van alles lijkt de wereld even niet meer te bestaan. Als er nu een duif aan zou komen vliegen met een bericht voor ons waarop staat dat er wegen zijn die naar steden en landen leiden die lawaai maken en oorlog dan zou ik het niet geloven. Die duif zou het bewijs ook niet kunnen mee nemen, alleen maar dat briefje. De wereld is nu op zijn mooist en niks om ons heen laat het tegendeel zien. ‘Wat weet jij van de dood Gerderik?’ Begin ik het gesprek weer en alsof hij nooit anders had gedaan dan op dit soort, voor de meeste mensen idiote vragen te reageren antwoordde hij: ‘Helemaal niks eigenlijk.’

‘Wat is dood zijn?’ Herformuleerde ik de vraag.

-stilte-

‘Wat ben je niet meer als je dood bent?’ Hielp ik hem op weg.

‘Levend.’

‘Inderdaad, levend. Als je dood bent ben je niet meer levend. Dat is eigenlijk alles wat je over de dood kunt zeggen.’

‘Maar mijn moeder geloofde dat ze naar de hemel zou gaan.’

‘En wat zou ze daar dan verder gaan doen daar?’

‘Verder leven denk ik.’

‘Waarom zou je dan eerst dood moeten gaan om dan weer verder te leven?’

‘Geen idee.’

‘Ik wil het eigenlijk niet over religie hebben, mensen die bezig zijn met een leven later, als ze dood zijn snap ik niet,’ vertel ik hem eerlijk.

‘Wat snap je daar dan niet van,’ Neemt Gerderik het vragenstellen plotseling over.

‘Mijn hele leven heb ik geprobeerd een reden te vinden waarom je voor een andere wereld zou willen leven, zou kunnen leven. Ik weet wel dat je niet kunt bewijzen dat die, noem het maar hemel, er niet is maar het is veel makkelijker om aan te nemen dat deze wereld, die wij nu zien, er echt is en er toe doet en die hemel niet.’

‘Maar mijn moeder haalde er rust uit, ze wist dat God haar zou opnemen en dat haar zware leven beloond zou worden en dat al die boze mensen buiten haar gestraft zouden worden.’

‘Hoe weet jij dat je moeder zo dacht?’

‘Dat heeft ze mij zelf verteld. Ik vond het nog al luguber, ik weet niet echt waarom maar ik ben nadat ik het huis uit ben gegaan nooit meer na de kerk geweest, ik heb er ook niks mee, denk ik.’

‘Gelukkig maar,’ zei ik kort en kijk in het vuur.

‘Ik merk dat je er kribbig van wordt,’ gaat Gerderik verder reagerend op mijn lichaamstaal.

‘Ik weet het, zoals ik al zei, mijn hele leven, wel laten we zeggen vanaf mijn 12e, 13e toen ze voor het eerst op onze school kwamen venten met Jezus…Toen was het al zo klaar als een klontje voor mij dat we “van de apen kwamen” en niet zomaar plotseling door God gecreëerd. Ik kon toen die vrome gezichten al niet uit staan, high van gelukzaligheid, zo zagen ze der uit…’ Ik verlaat Gerderiks ogen en staar weer in het vuur en zucht even diep om dan mijn betoog af te sluiten:’Weet je, er zijn veel gelovigen op deze wereld, gelukkig doen de meeste dat uit gewoonte en niet uit een innerlijke overtuiging, mensen zijn gewoontedieren zoals ik daarstraks al vertelde, misschien zijn de meelopers wel net zo schuldig maar voorlopig veroordeel ik de aanstichters het meest, die zijn niet dom. Die moeten toch beter weten,’en ik kijk hem aan of er bevestiging is te zien.’ Het is echter een nutteloze discussie en ik zal hem altijd verliezen, de mensen zitten niet te wachten op nuchtere winden die er waaien boven op de berg waar het uitzicht weids is, ze willen goochelaars zien,’ besluit ik melodramatisch mijn verhaal, met een lach op mijn gezicht en vraag Gerderik meteen wat we nog meer weten van de dood, ‘of had je nog wat te zeggen over de godsdienst?’

‘Nou nee,’ verbreekt hij zijn zwijgen,’ik denk niet dat ik jou daar een plezier mee doe.’

‘Niet echt nee maar je hoeft mij niet te sparen hoor.’

‘Laat het maar rusten, je ging opeens over op die godsdienst terwijl ik nog over de dood aan het nadenken was, misschien ben ik het wel met je eens maar ik kan niet zo snel overschakelen.’

’Je hebt gelijk, laat het maar rusten, straks belanden we allebei nog in het vagevuur,’ en ik gooi demonstratief een takje in het vuur. ‘Wat weet je nog meer van de dood? Buiten onze aanname dat er niks meer is daarna,’ ga ik verder.

‘Het brengt verdriet.’

‘Dat klopt, maar voor wie?’

‘Voor de nabestaande.’

‘Maar daar heb jij toch niks mee te maken.’

‘Natuurlijk wel!’ Reageert hij snel. ‘Ik geef om mijn familie.’

‘Ok, ik begrijp wat je bedoelt. Maar waar ik eigenlijk naartoe wil is dat de dood onverwacht komt.’

‘Dat is nog al een open deur lijkt mij, dat weet toch iedereen.’

‘Dat weet iedereen wel maar begrijpen ze het ook allemaal?’

‘Begrijpen,’ en hij kijkt mij vragend aan.

‘Ja begrijpen, iedereen weet dat de dood plotseling kan komen,’ ik steek het stokje waar ik al een tijdje mee loop te frummelen met mijn linker hand in de grond, het heeft twee zijtakjes die op armpjes lijken, ik heb ze zorgvuldig afgebroken. Een klein groen blaadje is zijn gezicht, het is een klein mannetje. Ik kijk Gerderik aan die mij vol verwachting aankijkt wat ik met dat poppetje ga doen. Met mijn rechterhand pak ik één van de stokken uit het vuur met een vel rood gloeiende stomp en… Blam…Boven op het mannetje,’dood als een pier.’

‘Ja, ik weet dat de dood onverwachts kan komen, dat hem je mooi geïllustreerd, dat begreep ik al wel maar wat moet ik daar mee?’ Ging hij serieus verder.

‘Ik kon het niet laten om het zo te laten zien, dat had ik al een hele tijd voor bereid,’vertel ik hem met een grijns op mijn gezicht. ‘Als de dood ieder moment kan komen wat wil je dan niet meer doen zolang je nog leeft?’

‘Niet meer doen zolang ik leef,’ zei hij hardop tegen zichzelf, ‘niet meer doen zolang ik leef,’ herhaalde hij het nog een keer hardop en een korte stilte volgde, ’geen idee, wat is het?’

‘Ben jij een tevreden mens Gerderik,’vroeg ik hem.

‘Ja, ik denk het wel.’

‘Je twijfelt.’

‘Hoezo?’

‘Je zei ik denk het wel.’

‘Ja, ik denk het wel, mijn werk misschien.’

‘Wat is er met je werk?’

‘Een paar jaar geleden had ik het er heel moeilijk mee gehad, ik wou graag wat anders gaan doen maar ik wist niet wat en als ik iets leuk vond dan kon dat weer niet hier in de buurt, Ik heb mij er eigenlijk bij neer gelegd, daarom twijfelde ik net.’

‘Wat is er mis met je werk dan?’

Nou ja, ik doe het alweer meer dan 25 jaar, ik hoef er niet echt meer bij na te denken, het is eigenlijk gewoon mijn werk,’en Gerderik haalt zijn schouders op terwijl hij dit laatste uitspreekt.

‘En ben je daar tevreden mee?’Graaf ik verder.

‘Mwhoa, ja… ach.’

‘Denk je dat je meer kunt?’

‘Ja,’ en hij kijkt mij aan en heel in de verte lijkt er iets te glinsteren in zijn ogen.

‘Ga verder,’moedig ik hem aan.

‘Vijf jaar geleden waren hier twee biologen voor een onderzoek, ik zou ze begeleiden tijdens de twee maanden dat ze hier waren. Ze hadden allemaal dure apertuur bij zich en praatte met nog duurdere woorden. Ze onderzochten wat de invloed was van de niet inheemse aanplant op de van oudsher voorkomende boomsoorten hier. Om een lang verhaal kort te maken, wat hun konden kan ik ook met mijn nuchtere verstand en jarenlange ervaring, het enige dat er aan ontbrak was hun dure taal gebruik, ik wist toen dat ik daarvoor naar de universiteit zou moeten gaan. Maar dat leek mij toen wat al te hoog gegrepen en dan zouden we moeten verhuizen en…en ga zo maar door.’

‘Maar je had dat wel graag gedaan.’

‘Ja, het was reuze interessant wat die twee deden. Ik sta dagelijks tussen de bomen, hier in deze bossen en ik zie wat er hier gaande is maar zij hadden een veel ruimer overzicht. Dat trok mij aan.’

‘Dat trok jou aan?’ Ik benadrukte het woord trok.

‘Het trekt mij nog wel aan eigenlijk.’

‘Waarom heb je het op gegeven dan? Wat vond Evelien ervan?’

‘Evelien stond er helemaal achter, nog meer eigenlijk dan ik. Ze zou het helemaal niet erg vinden om hier weg te gaan.’

‘Angst voor het onbekende,’ zeg ik hardop en kijk hem wat nadrukkelijker aan. Hij kijkt van mij weg en begint zijn rugzak in te pakken terwijl hij blijf zitten. Zijn sokken gaan aan en dan zijn broek. Hij reikt naar zijn schoenen en deelt mee dat ze nog nat zijn en hij trekt ze aan. Zonder dat de veters zijn gestrikt staat hij op en strekt zich uit alsof hij net ontwaakt, zijn armen gaan weer naar beneden maar hij blijf omhoog kijken en blijf zo een paar seconden stil staan. ‘Ja,’ zegt hij plotseling, ‘ik denk dat je daar wel gelijk in hebt.’ En hij zet een voet op een stronk om zijn veter te strikken. ‘Ik vroeg je toen straks wat je niet zou moeten doen als je weet dat de dood ieder moment kan komen, weet je het antwoord al?’ Vraag ik hem terwijl ik ook mijn schoenen aan doe.

‘Ik zou het gewoon moeten doen zekers?’

‘Ja natuurlijk, als dat je droom is maar wat ik eigenlijk onder angst voor de dood versta is dat je realiseert dat je geen tijd hebt om weg te geven er is geen extra tijd. Als je iets wil dan moet je het nooit voor onbepaalde tijd voor je uit schuiven.’

‘Maar ik wil het niet meer echt,’ zegt hij als hij op zijn rugzak gaat zitten, ik heb mijn rugzak al half om maar kennelijk wil hij er nog even bij gaan zitten.

‘Je wil niet meer echt. Je wil niet meer het ruimere zicht hebben? Je kennis vergroten?’

‘Nee, ik denk het niet, ik schuif dus eigenlijk niks voor mij uit.’

‘Je bent bang voor het onbekende vertel je net.’

‘Ja.’

‘Maar ergens zou je ook wel een verandering in je leven willen hebben?’

‘Ja.’

‘En die verandering heb je voor onbepaalde tijd voor je uitgeschoven toen je de kans had omdat je bang was?’

‘Ja.’

‘Dus je zou nog wel willen gaan studeren maar je doet het niet omdat je bang bent voor wat er allemaal gaat veranderen?’

‘Ja, dat zei ik toch.’

‘Nou nee, net zei je nog dat je het niet meer echt wil, dat je dus niks voor je uitschoof, je vertelde het nog op zo’n manier dat het leek alsof je een goede zet had gedaan bij schaken.’

‘Jij kan mooi praten. We moeten nou trouwens gaan anders zijn we niet voor het donker bij de hut’

Hij staat op en doet zijn rugzak om. Ik doe het zelfde en volg hem. Het vuur heeft hem wel weer opgewarmd maar zijn bezorgde blik is nog niet opgedroogd merk ik. Zal ik hem een verhaal vertellen of zal ik hem even tijd geven om in stilte na te denken. Kennelijk heeft hij nog geen vrede met zichzelf over de keuzes die hij heeft gemaakt anders had hij wel met meer zekerheid die keuzes verdedigd. Zou ik het hem wel goed uitgelegd hebben, het is ook zo duidelijk voor mijzelf. Tuurlijk ben ik niet bang voor de dood, in tegendeel zelfs, daarvoor heb ik het al te vaak van dichtbij gezien, helderdere momenten zijn er haast niet. Maar die ervaringen hebben mij wel geleerd, tenminste, dat denk ik, maak ik mijzelf dat wijs? Maar anderen hebben dat soort ervaringen ook zo vertaald, als een keerpunt in hun leven, dus helemaal uit het niets komt het niet als ik beweer dat die ervaringen mij hebben geleerd dat er geen tijd is voor bullshit, onzin. Geen smoesjes meer, wat bereik je daar ook mee en ook geen schaamte meer of angst. Wat kan er nu gebeuren, wat maakt het uit als ze je raar aankijken als je, je nek uitsteekt tijdens die vergadering of dat je stopt met die baan, omdat er iets wordt gevraagd dat tegen je principes in gaat en niemand daar wat van snapt. Al die mensen die iets niet doen omdat anderen daar wel is wat van kunnen zeggen die hebben kennelijk niet door dat we straks allemaal dood gaan, dat de aarde ooit wordt verzwolgen door de zon en dat het uiteindelijk helemaal om niks gaat, gebakken lucht is het dan nog. Mensen moeten is leren hun eigen plan te trekken en geen slaaf te zijn van de buitenwereld, hun emoties of wat dan ook. Ach ja, het is allemaal makkelijk gedacht, ik heb waarschijnlijk veel meer woorden nodig om het uit te leggen en dan nog. Als je naar een willekeurige bibliotheek gaat dan vind je genoeg boeken van schrijvers die dat allemaal op hun eigen manier al is geprobeerd hebben. Natuurlijk moet dat mij er niet van weerhouden het ook weer is te proberen, net zoals hun wisten dat het een oeverloze exercitie zou zijn maar het toch deden, misschien ook wel omdat ze zich realiseren dat je uiteindelijk niks te verliezen hebt. Maar hoe maak ik het Gerderik duidelijk, hij vertoonde al eerder trekjes die lieten zien dat de moderniteit ook hier zijn vat heeft gekregen op de mensen. Hij zal wel denken wie ik nou helemaal ben om hem dat allemaal te vertellen en van die lastige vragen te stellen. Ik voel het aan zijn reacties maar hij zal dat niet zo zeggen denk ik, althans niet zo snel. Hij weet ook wel dat hij zelf maar al te graag over dit soort dingen heeft met mij, hij is er deels zelf over begonnen. Maar een zekere trots heeft hij wel en het is natuurlijk nooit leuk om daarin gekrenkt te worden, ik weet daar alles van en het heeft mij goed gedaan uiteindelijk om te beseffen dat sommige soorten trots nutteloos zijn. Maar het blijft lastig om op een goede manier om de trots van mensen heen te gaan en ik leef nog teveel met de instelling dat ik liever mijn eigen mening doordruk dan op de gevoellens van anderen te letten. Eigenlijk leef ik niet met die stelling, zo doe ik het gewoon, dat gaat vanzelf, zo doe ik het gewoon, dat gaat samen met mijn idee van de dood, tenminste, dat denk ik. Ik moet nog veel leren. Ik zucht hardop maar Hij hoort niks. Wat zal ik Gerderik is vragen, hij loopt nu al weer een paar minuten zwijgend voor mij. ‘Gerderik!’Roep ik hem dan maar.

‘Ja, ik ben er nog!’

‘Waar denk je aan?’ Dan maar de directe weg.

‘Aan wat we allemaal besproken hebben en aan mijn werk. Weet je, een paar jaar geleden heb ik het er best moeilijk mee gehad, vooral met mijzelf en dat gevoel komt af en toe terug. Nu voel ik het ook weer een beetje.’

‘Een rottig gevoel,’ zeg ik tegen zijn rug.

‘Ja,’ en hij stopt even zodat ik hem kan inhalen en samen lopen we weer verder, Jou durf ik het wel te vertellen.’

‘Wat durf je mij wel te vertellen?’

‘Je bent wel wat jaren jonger dan mij maar als ik zo met je praat en mijn ogen even dicht doe dan hoor ik geen jonge dame maar een vrouw die al wat meer heeft mee gemaakt dan ik dat heb. Zelfs met mijn vrouw kan ik niet over alles praten, schaamte denk ik. Toen ik zo met mijzelf in de knoop zat toen wist ik vooral niet hoe ik, euuh, zeg maar een soort muur uit mijn hoofd moest halen. Ik wilde heel graag gaan studeren maar waar ik woon wordt nogal neerbuigend tegen studeren aangekeken en ik vertelde je al eerder dat het bij ons een goed ding is als je kunt zeggen dat je al dertig jaar voor de zelfde baas werkt. En in mijn hoofd kon ik wel tig keer herhalen dat die meningen van al die mensen hier in mijn dorp er niet toe doen maar het hield mij toch tegen. Ik denk dat ik teveel twijfelde aan mijn eigen gelijk en het daarom niet heb doorgezet en zelfs vijandelijk ben gaan staan tegen dat soort gedachtes, ik ben ergens zo gaan denken als mijn dorpsgenoten. Maar ik weet dat wel en dat is het ergste, ik weet het maar kan er ook niks aan veranderen, iets houd mij tegen.’

Ik keek hem even aan en gaf hem een licht schouderduwtje en zei:’Als ik je psycholoog zou zijn zou ik nu zeggen dat je mij de woorden uit de mond had gehaald,’ en lachte naar hem.

‘Hoe bedoel je?’en keek mij verbaast aan om mijn lach na zijn serieuze ontboezeming.

‘Ik denk dat het een diagnose is waar je wat mee kunt.’

‘Alsof ik ziek ben.’

‘Dat zijn we misschien wel allemaal, of juist weer niet dan, nee nu maak ik er een grapje van, je vertelde een heel serieus verhaal en ik ben vereerd dat je het mij verteld hebt.’

‘Je doet er inderdaad wat luchtig over.’

‘Ja, sorry…maar in onze familie maken we elkaar voor rotte vis uit als we weten dat we stinken,’gefrons, ‘we weten dat we onszelf als mens, graag voor de gek houden.’

‘Dus het is niet zo bijzonder?’

‘Zekers wel. Ik ben zo opgevoed en weet niet beter maar jij hebt het zelf “verzonnen”, dat is niet niks. Het zou mooi zijn als je, jezelf uit die impasse kunt trekken, als je dat tenminste zou willen want niets houd je tegen om zo door te gaan als je nu doet en je zult er ook niet ouder van worden waarschijnlijk of gelukkiger.’

‘Gelukkiger,’ geschrokken keek hij mij aan.

‘Dat is weer een ander onderwerp, voor later, eerst wil ik wel is weten wat je zou willen,’ ik moet opletten dat ik nu inderdaad niet als een psycholoog ga praten na zijn ontboezeming, wat is het vlees toch zwak, meteen voel ik mij boven hem staan, menselijke communicatie, het schijnt altijd neerkijkend of omhoogkijkend te moeten en maar met moeite recht tegenover elkaar. En een duw: ‘He dagdromer!’ Zei Gerderik ineens, ‘heb je mij wel gehoord?’

‘O, sorry, nee ik was =even in mijzelf aan het denken. Wat vroeg je?’

‘Ik zei dus dat ik er inderdaad wel wat aan zou willen doen, ik heb het idee dat jij mij daar wel bij kan helpen.’

‘Ik kan je laten zien hoe ik het doe maar ik kan je niet op mijn rug nemen en je over die berg tillen, dat zul je op eigen kracht moeten doen, ik kan je het pad laten zien en als het wat te donker wordt kan ik een lichtje voor je opsteken, meer kan ik niet doen.’

‘Dat dacht ik wel, ik had ook niet verwacht dat er een simpele oplossing was: een boom valt ook nooit twee keer in de zelfde richting, om ook maar een beeldspraak te gebruiken.’

‘Dat is een goeie, zelf bedacht?’

‘Ja, net.’

‘Dat wordt nog wel is wat.’

‘Zegt die oude dame, laat maar is zien of je nog conditie hebt,’ en weg is hij. En inderdaad, verderop zie ik een klein huisje staan waar hij kennelijk op af draaft. Ik onderneem ook een poging maar geef het maar snel op, hij is sneller.