‘Dus de dood hè.’
‘Ja.’
En naar de volgende steen springen we om het riviertje over te steken. Eigenlijk is het maar een beekje of… Hoe noem je dat eigenlijk hier in de bergen, een stroompje? ‘Hé Gerderik!’
‘Hmm’
‘Hoe noem je dat eigenlijk zo’n klein riviertje waar we nu overheen gaan?’
‘Hoe kom je daar nu weer bij, ik zit nog na te denken over wat je net zei. Ik denk een beek, ik heb daar eigenlijk nooit over na gedacht.’
‘Een beek dus, voor mijn gevoel stromen die niet de berg af maar waar dat op slaat weet ik ook niet, ik ben op gegroeid tussen de sloten. Volgens mij heb ik nog nooit een beek gezien, kanalen wel maar een beek… geen idee. ‘Hoe breed mag een beek maximaal zijn denk je?’
‘Jezus dat weet ik niet hoor, dat je, je daar druk om maakt zeg.’
‘Sorry hoor, ik vraag mij dat gewoon af.’
Gerderik staat op een steen en met zijn benen strak tegen elkaar draait hij zijn bovenlichaam naar mij toe. Net als hij wat wil zeggen doe ik net of ik bijna val door mijn armen in een schrikbeweging iets omhoog te doen en door mijn knieën te gaan. Gerderik wil mij vast pakken maar door zijn rare houding glijd één van zijn voeten van de steen en volgt snel de rest. Ik lach me rot. Hij komt weer overeind maar kan kennelijk op de bodem zitten zo ondiep is het water. Zo zittend kijkt hij mij aan en weet niet of hij moet lachen of boos worden, tenminste, dat lees ik van zijn gezicht af. ‘Volgens mij is een stroompje een halve meter diep en een beek minstens een meter.’ Zeg ik en zie dat hij kan lachen. Ik stap van mijn steen in het water om hem overeind te helpen en wadend lopen we de rest naar de kant. Gelukkig schijnt er hier wat zon en kunnen we even uitrusten en opdrogen.
‘Marit, dus jij bent bang voor de dood?’ Vraagt hij aan mij.
‘Het laat je niet los merk ik wel. Dus die afkoelbuurt heeft niet geholpen, zulke gedachtes moet je niet in te grote brokken tot je nemen, die moet je de tijd geven zich te laten verteren.’
‘Ja, jij hebt makkelijk praten maar je zegt mij nog al wat. De dood is voor mij iets dat bij oude mensen hoort en jij zegt dat ik moet leven alsof ik ieder moment dood kan gaan. Ik moet bang zijn voor de dood!’
‘Dus je wil er over door gaan, ik heb je nog niet genoeg verteld het afgelopen uur?’Ik moet even na denken om niet in herhaling te vallen, tijdens dit soort gespreken stromen mijn gedachtes als… Ha ha, Gerderik kijkt mij vragend aan waarom ik met mijn gezicht lach maar laat ik hem maar niet meer pesten. Mijn gedachten stromen gewoon zoals gedachtes stromen. Wat is een mens vroeg ik hem aan het begin van onze wandeling toen hij interesse toonde in filosofie en wilde weten wat dat precies is. Hij had er wel van gehoord, het had iets met nadenken over het leven te maken maar hij wist niet of hij het wel is deed, dat filosoferen. Ik vroeg hem dus, om te beginnen, wat een mens is.
‘Een mens, dat zij wij…Toch?’ Zei Gerderik.
‘Ok, maar zijn wij een soort van dieren?’
‘Ja.’
‘Nou Gerderik dat was je eerste filosofische gedachte.’
‘Ja maar dat wist ik wel.’
‘Dat weet ik maar nu zeg je het. Nu ben je het iets meer bewust, meer bewust dat tijdens een proefwerk voor biologie. Filosoferen is vooral vragen stellen met vaak hele simpele antwoorden, je weet nu iets meer, je weet nu dat je ook dier bent.’
‘Noem je dat nou filosoferen, ik had het mij wel iets moeilijker voor gesteld.’
‘Iets moeilijker hè… Kan een dier zich iets voorstellen, wat jij net deed, je iets moeilijkers voorstellen.’
Nu moest Gerderik toch wel even diep nadenken, het begon zo simpel en nu zag ik aan zijn gezicht dat hij even niet wist waar hij het moest zoeken. Na wat gemompel en halve woorden vroeg hij, eigenlijk meer aan zichzelf wat voorstellen is.
‘Wat is dat eigenlijk voorstellen?’
‘Nou dat is een nou is een echte filosofische vraag. Je bent er wel goed in hoor.’Zei ik met ingehouden spot die hij in zijn onschuld anders ook niet herkent zou hebben als ik mij niet had in gehouden. Gerderik kijkt een beetje verbaasd naar mij en zijn mond laat stiekem een trots trekje zien. ‘Wat voorstellen is, is niet zo makkelijk te beantwoorden. Sommige dieren kunnen het misschien maar mensen kunnen het zeker, je zou bijna kunnen zeggen dat het een karakteristiek kenmerk van de mens is. Een voorstelling is een beeld, een tekst of bijvoorbeeld muziek dat je als het ware in je hoofd ziet of hoort, het zweeft daar ergens. Stel je nu is voor dat je geen geheugen hebt, zou je dan een voorstelling kunnen maken?’
‘Geen geheugen? dus je hoofd is leeg dan…Lijkt mij. Je ziet wel van alles maar dat verdwijnt weer. Nee, je kunt dan geen voorstelling maken volgens mij.’
‘Dat lijkt mij ook niet nee. Iedere voorstelling is altijd opgebouwd uit herinneringen.’
‘Maar ik kan mij ook een draak voorstellen.’
‘Heel gevat maar je hebt waarschijnlijk wel is plaatjes van draken gezien en in je voorstelling kun je ook versschillende herinnering samenvoegen bijvoorbeeld het beeld van een paard en een neushoorn en je hebt een éénhoorn.’
‘Dus als mens kan ik voorstellingen maken, kunnen apen dat dan niet Marit?’
‘Dat weet ik niet zeker. We kunnen niet in hun hoofdjes kijken, er zijn wel allerlei testen gedaan maar de conclusies van die testen spreken elkaar tegen en als mens zijn wij nogal snel geneigd om allerlei “menselijke” trekjes te zien in dierengedrag. Ik denk zelf van niet maar honderd procent zeker daarvan kan ik niet zijn.’
‘Ik heb wel is een documentaire gezien,’ ging Gerderik verder,’waarin apen stokjes gebruiken om bij hun eten te komen, daar heb je toch wel voorstellingsvermogen voor nodig lijkt mij.’
‘Misschien maar het kan ook zijn dat die aap letterlijk na-aapt. Hij kan het trucje van de groep waarin hij leeft geleerd hebben, afgekeken. Vaak kun je twee of meerdere kanten op met wat je ziet en dat is meteen een nadeel van ons voorstellingsvermogen, we kunnen eraan twijfelen. Een dier twijfelt niet die reageert op zijn instinct.’
We liepen een tijdje zonder iets te zeggen door het bos. Gerderik zou mij het bos laten zien en het uitzicht vanaf de top van de berg maar door het gesprek had ik nog niet veel van het bos genoten en hoelang we al aan het lopen waren wist ik ook niet meer. Het maakte niet veel uit, aan zijn denkende blik te zien had ik hem enthousiast gekregen en dat is meer waard dan dit bos, daar heb ik meer herinneringen van dan van mensen die met filosofie bezig zijn bracht mijn rancuneuze zelf naar voren in mijn gedachte. Gerderik had ik leren kennen tijdens een busreis, we hadden een leuk gesprek gehad tijdens die rit. Als ik ooit weer in de buurt was kon ik altijd langskomen, ik wist toen niet of hij gewoon beleeft was zoals de meeste mensen hier zijn of dat hij werkelijk geïnteresseerd was, niet in mij als vrouw, hij is getrouwd en straalde helemaal toen hij over zijn vrouw vertelde maar hij bleef maar vragen stellen. Over de stad waar ik in leefde en hoe ik als jonge vrouw zo alleen durfde te reizen en over mijn werk als mode ontwerpster, alles vertelde mij dat hij zich opgesloten voelde in de kleine verafgelegen gemeenschap die zijn wereld zo klein maakt. Even kon hij via mij naar de grote wereld buiten hem bekijken. Vorige week besloot ik dat ik nog een keer naar het kleine museumpje wilde net buiten het dorp waar Gerderik woonde, omdat het toeristenseizoen voorbij was kon ik niet in de enige en nu dus gesloten hotelletje slapen dus ik belde hem op of het goed was dat ik bij hem en zijn vrouw kon logeren voor een aantal dagen. Zijn vrouw nam op en hoewel het alweer een paar maanden geleden was dat ik Gerderik in de bus had ontmoet wist ze meteen wie ik was. Kennelijk had hij enthousiast verhaald over mij en zonder ook maar iets van jaloezie nodigde ze mij uit, ze zou meteen de logeerkamer klaar maken. Weer werd ik getroffen door de zorgeloosheid, bijna naïviteit van de mensen die daar wonen. Met mijn 28 jaar zie ik soms te veel spoken en een man die iets te aardig voor mij is verdenk ik meteen van aandacht voor dat wat er tussen mijn benen zit in plaats van wat er tussen mijn oren zit. Evelien, de vrouw van Gerderik, leek in dat korte telefoongesprek totaal niet bezorgt dat haar man zo enthousiast over mij was, in dat dorp zullen ze toch ook wel gehoord hebben van buitenechtelijke relaties? Ik weet trouwens niet waarom ik zo geobsedeerd ben door die gedachte, Gerderik is in de veertig en ziet er nogal doorsnee uit, niks bijzonders. Normaal krijg ik altijd wel aandacht van de mannen, misschien dat het mij daarom opvalt, hij is niet geïnteresseerd in mij als lust object, hij is belust op mijn kennis, hij schijnt werkelijk gelukkig te zijn met zijn Evelien en dat is de reden denk ik dat ik hem nog een keer wil ontmoeten, interesse voor zijn interesse en…Noem het maar zijn naïeve levensinstelling. Terug in de grote stad liet het mij niet los hoe hij, zover van de “echte” wereld zo gelukkig kon zijn. Hier om mij heen in de stad, zie ik alleen maar mensen met bezorgde blikken op hun gezichten en hoor ik een hoop geklaag. Als mode ontwerpster combineer ik klederdrachten uit verschillende culturen en daarvoor reis ik de hele wereld over om die kleding in het echt te kunnen zien. Omdat Gerderik en zijn naïeve wereldbeeld mij niet los lieten heb ik de eerste de beste kans gegrepen om nog een keer terug te kunnen, ik kon mijn baas overtuigen dat ik afgelopen zomer niet genoeg details had kunnen zien van de kleding in het museumpje en dat ik daarom terug wilde. Nu loop ik hier dus met hem door het bos, nog geen kleding gezien. Eigenlijk ben ik met een smerig experiment bezig; deze naïeve ziel probeer ik te verlijden, niet met mijn lichaam maar met gedachtes. Kan ik hem laten inzien dat de wereld niet die zorgeloze plek is waar hij in leeft, die plek waar ik eigenlijk wel is zou willen zijn, die zorgeloze plek. Eigenlijk wel raar, met mijn filosoferen probeer ik te komen waar hij en zijn vrouw zijn maar zij weten niet beter ze hebben nooit de complexiteit van de wereld ervaren zoals ik dat heb gedaan. Ik wil hem die complexiteit laten ervaren en dan zien hoe hij daar op reageert, Gerderik is ook nog oprecht geïnteresseerd dus mij helemaal schuldig voelen hoef ik niet.
Opeens stopte Gerderik en tikte mij op mijn schouder. Met de zelfde vinger waarmee hij op mijn schouder tikte wijst hij vervolgens naar zijn hoofd, ik zag dat toen ik stopte en omkeek. Hij keek of hij lang had nagedacht en een heel verhaal zou gaan ophangen maar er volgde een korte vraag: ‘Dus het speelt allemaal in onze hoofden af?’
‘Je hebt lopen nadenken merk ik. Of het allemaal in onze hoofden afspeelt? Hhmm, zo voelt het wel in ieder geval en misschien moeten we het daar voorlopig maar op houden maar ik kan je al verklappen dat ons denken in onze hersenen lijkt te ontstaan maar onze hersenen zijn ook maar een orgaan.’
‘Wat bedoel je daarmee?’ Reageerde Gerderik.
‘Dat vertel ik je later wel, laten we niet vooruitlopen op het verhaal. Vertel eerst maar is wat jij denkt dat er nog meer karakteristiek is aan een mens.’
‘Ok,’ en vrijwel meteen volgde een antwoord,’we zijn van vlees en bloed en…’
‘Nee.’onderbrak ik zijn zin. ‘We hadden het over voorstellingen, over wat er in onze hoofden afspeelt. Alle dieren zijn van vlees en bloed maar een mens onderscheid zich van het dier doordat het kan voorstellen, daar zijn we het toch over eens?’
‘Ja.’
‘Wat kunnen wij nog meer dat een dier niet kan, met zijn hoofd zeg maar.’
Daar moest hij even over nadenken en na een paar passen hielp ik hem wat op weg. ‘Wie ben jij?’Vroeg ik hem.
‘Ik ben Gerderik.’
‘Wat doe je nu.’
‘Wat bedoel je?’
‘Je zegt je naam.’
‘Ja, ik zeg mijn naam hoezo?’
‘Denk je dat een goudvis zijn naam weet? Weet een goudvis dat hij een goudvis is?’
Hij keek mij raar aan terwijl we door wandelden en zij: ‘Mijn goudvis niet nee maar Rensko, mijn hond, reageert wel op zijn naam, hij weet dat hij Rensko is.’
‘Rensko weet dat hij voer krijgt of uit gaat als hij die klank hoort. je kunt hem ook Tempko noemen en hij zal ook reageren. Is het een hij?’
‘Ja, hij is al 12 jaar oud, een schat van een hond. Ik zou niet zonder kunnen en hij lijkt mij zo goed te begrijpen, hij heeft een echt karakter voor mij.’
‘Je zegt het goed ja, voor jou. Als mens zien wij graag menselijke trekken in dieren, zoals ik al eerder vertelde. Zijn bedroefde ogen of juist blije ogen, zijn aanhankelijkheid en bezorgdheid als jij je niet goed voelt maar denk is aan je auto, hoe vaak verklaar je het gedrag van dat ding niet in menselijke termen, na een aantal jaren heeft jou auto ook een karakter die hem onderscheid van een zelfde soort auto.’
‘Ja, mijn auto is nogal wispelturig. Ik verdenk hem er wel is van precies dan kapot te gaan als ik hem nodig heb maar soms op een mooie zonnige dag dan zoeft hij geluidloos over de weg en lijkt hij tevreden.’
‘Zie je, het is heel makkelijk om karakter aan dingen en dieren te geven.’
‘Maar doen wij dat ook niet bij andere mensen?’
‘Daar heb je een punt.’ Voor iemand die boomstammen keurt op een houtzagerij heeft Gerderik een scherpe geest, waar laat hij al die energie. Zou hout uitzoeken zo’n moeilijk vak zijn vroeg ik mijzelf af. ‘We weten niet of andere mensen denken zoals je dat zelf doet.’ Vertelde ik hem eerlijk. ‘Maar ook dat is één van de vragen in de filosofie waar geen eenvoudig antwoord op is. Ik denk dat veel mensen wel is het gevoel hebben dat zij de enige zijn die werkelijk nadenken en dat voed de vraag of die ander wel na kan denken of dat het net zoals jou hond Rensko de schijn heeft dat het nadenkt. Daarom… En ik benadruk nog maar is dat filosoferen heel simpel is… Begin je bij jezelf… Je weet dat je een naam hebt die bij jou hoort, een andere naam kun jij je voorstellen wat een dier niet kan, jou hond kan niet opeens besluiten Bello te heten; Je weet dus dat je kunt nadenken en voorstellen, weet je ook waar je over nadenkt en wat je, je voorstelt?’
Na een korte stilte waarin hij kennelijk even moest nadenken over zijn antwoord zegt hij: ‘Ik denk over mijn werk na, Evelien, mijn huis, hoe ik meer vis kan vangen over…’
‘Ok. Je denkt dus na over dingen in je omgeving, wat zegt dat jou?’
‘Dat die dingen belangrijk zijn voor mij.’ Een vragende blik volgde na dit antwoord.
‘Die dingen zijn belangrijk voor jou, maar waarom juist die dingen?’
‘Omdat die altijd al belangrijk zijn geweest voor mij, in ieder geval al vele jaren.’
‘Heb je een keuze gehad hierin?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Heb je zelf kunnen kiezen dat je over dat soort werk zou nadenken of dat je zou gaan vissen?’
‘Ja natuurlijk.’ Antwoordde Gerderik nogal stellig. ‘Ik had ook in de garage van mijn vader kunnen werken en veel mensen jagen hier.’
‘Maar wat nou als je geboren zou zijn in Afrika waar geen bomen zijn en geen water om in te vissen, had je dan ook dat werk gedaan en kon je dan ook vissen?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik ben hier geboren, beetje onzinnig vraag lijkt mij.’
‘Niet zo onzinnig als het lijkt, het verteld jou namelijk dat jij, als Gerderik, geen keus hebt gehad in waar je geboren bent, je bent hier gewoon en de keuzes die je later maakt beperken zich tot de dingen om je heen. Je kon kiezen voor bosbouw of de garage van je vader maar niet voor een professoraat in de scheikunde.’
‘Ik had wel naar de grote stad gekund om te gaan studeren hoor,’ zei hij met een licht beledigde ondertoon in zijn stem
‘Wat waren jou prestaties vroeger op school dan?’
‘Eeuh, niet zo best.’
‘Je wordt dus niet alleen geboren in een bepaalde plaats maar ook met een bepaald lichaam, jouw lichaam heeft kennelijk niet de hersenen van een professor.’
Opeens merkte ik dat zelfs hier in dit achterland de moderniteit zijn grip heeft gekregen op de mensen. Hier zijn ze kennelijk ook al individuen geworden die denken dat zij het zijn die hun leven bepalen in alle facetten zonder te beseffen hoe beperkt hun keuzes eigenlijk zijn. Gerderiks opa zal op mijn vragen waarschijnlijk geantwoord hebben dat hij dit of dat is omdat het verwacht werd van hem. Gerderik denkt 50 jaar later dat hij zelf een grote rol heeft gespeeld in zijn keuze terwijl hij niet meer keus had dan zijn opa. ‘Een Duitse filosoof noemde dat het “in de wereld geworpen zijn”. ‘Je wordt letterlijk door je moeder in een wereld geworpen en daar moet je het mee doen.’
Gerderik liep een tijdland zwijgend naast mij zonder te reageren op mijn laatste opmerking, waarschijnlijk broedend op een antwoord. Zou hij zijn antwoorden beoordelen zoals hij boomstammen beoordeeld vroeg ik mijzelf af . Hij begon goedkeurend te knikken en er verscheen een lach op zijn gezicht. Hij vertelde dat hij het nog nooit zo bekeken had, dat hij eigenlijk nog nooit gekeken had, zich had afgevraagd hoe een mens werkt. Hij vertelde dat hij precies weet hoe een boom groeit en wat een boom zijn kwaliteiten geeft maar over de mens had hij nog nooit nagedacht. Hij vertelde dat hij voor het eerst in jaren weer is het gevoel had van spanning. Hij maakt wel vaker spannende momenten mee, op zijn werk als ze grote bomen vellen of tijdens een ruzie met zijn vrouw maar dat was allemaal spanning op herhaling, eerder meegemaakt. Dit gesprek, deze gedachtes voelden als die keer dat ze op huwelijksreis waren vele jaren geleden en die andere wereld met verbazing werd bekeken. Een wereld zo anders dan zijn dagelijkse dat het haast niet voor te stellen was. Nu raken veel mensen wel in een enthousiaste bui als ik met ze over filosofie praat, mijn eigen enthousiasme zal ze waarschijnlijk aansteken en zolang je niet te diep gaat blijven ze het leuk vinden. Maar Gerderik lijkt werkelijk geïnteresseerd want na een stilte van zekers 10 minuten waarin ik dacht dat hij alweer met zijn gedachte bij de bomen om ons heen was kwam hij plotseling met een doordachte vraag, of eigenlijk een stelling: ‘Wij kunnen vragen stellen.’
‘Heel goed. Hoe kom je daar zo plotseling bij?’
‘Ik dacht na wat je over Rensko vertelde en over andere dieren. Ik zag zijn kop voor mij en toen schoot het mij zo te binnen, hij kan zichzelf niet afvragen wat hij hier doet en ik kan dat wel.’
‘Wij kunnen inderdaad onszelf vragen wie of wat we zijn. We kunnen nog veel meer vragen stellen. Een bever vraagt zich ook af of die bepaalde boom geschikt is voor zijn burcht maar hij beperkt het waarschijnlijk tot formaat en afstand tot zijn burcht terwijl wij als mens in principe ook niet meer hoeven te weten maar ik denk dat jij mij veel over de boom kan vertellen waar een bever niet bij stil staat en ook niet nodig heeft voor het bouwen van zijn onderkomen. Net zomin als wij dat nodig hebben voor het bouwen van ons onderkomen maar wij kunnen en daarom doen we het. Het verbaast mij dat je met zulke observaties komt, je lijkt het leuk te vinden om over dit soort dingen na te denken, klopt dat?’
‘Ja.’
‘Heb je dat nooit eerder gedaan, heb je, je nooit afgevraagd wat wij hier doen?’
‘Nee niet echt.’
‘Fascinerend.’ Zij ik expres hardop.
‘Wat bedoel je.’
‘Ik dacht even hardop. Veel mensen uit mijn omgeving vragen zich vaak af wat ze hier doen. Meestal beperkt het denken zich tot het afvragen waarom ze dit of dat werk doen of met deze persoon getrouwd zijn maar als je over dat soort dingen nadenkt dan kom je vaak in de buurt van gedachtes zoals de vraag naar de zin van het leven of het lot.’
‘Zijn alle mensen zo waar jij vandaan komt?’Vroeg hij belangstellend.
‘Nee niet iedereen maar in een stad zijn veel meer keuzemogelijkheden dus voor veel mensen is het lastig kiezen. Die zelfde mensen zouden hier waarschijnlijk een stuk rustiger leven. Ken jij geen mensen die altijd zoekende zijn, zich dus afvragen of iets anders niet beter is.’
‘Nee, niet echt. Ja… Een vriendin van Evelien heeft iedere maand een nieuw kapsel, altijd loopt ze te zeuren over haar uiterlijk. Daar snappen we beiden niets van. Ze heeft gestudeerd in de stad, ze is onze dierenarts, dat zal het wel zijn dus.’
‘Zo kort door de bocht zou ik ook weer niet willen gaan maar het zou kunnen. Is eigenlijk een ander onderwerp. We waren nog bezig wat een mens nou eigenlijk is. Wat ons onderscheid van de rest van de dieren. Zullen we daar over door gaan?’
‘Ja natuurlijk.’
Ik herhaalde even in het kort wat we al besproken hadden, alsof ik een les aan het geven was, zoals de oude Grieken dat deden al wandelend door het bos. We kunnen als mensen ons dingen voorstellen maar we zijn ook geworpen in een wereld die bepaalt wat we zijn. We zijn man of vrouwen, komen uit dat land, uit die familie, en zijn arm of rijk. Ook kunnen we vragen stellen. We kunnen onszelf dus afvragen waarom ik zus leef en niet zo.
‘Gerderik!’ Sprak ik luit, om zijn aandacht te krijgen.
‘Ja.’
‘Kunnen wij zelf bepalen wie we zijn?’
Hij kijkt mij weer is verbaast aan. ‘Na wat je mij net vertelde vraag je dat. We worden toch in de wereld geworpen, wat kan ik daar nou aan veranderen.’
‘Met je voorstellingsvermogen.’Appelleerde ik.
‘Met mijn voorstellingsvermogen. Wat kan ik daar nou mee veranderen aan de werkelijkheid. Ik ben toch hier geboren en hier kon ik in de bosbouw gaan werken. Nu ik er zo over denk voel ik mij ook een bosbouwer.’
‘Als je, je daar toe beperkt zul je ook bosbouwer blijven hier maar met je voorstellingsvermogen ben je ook instaat om jou verhaal wat meer jus te geven.’
‘Jus.’
‘Ja. Je kunt jezelf vertellen dat je de beste bent en dat je zult gaan rondreizen om je kennis te verspreiden en…’
‘Ho, ik wil dat eigenlijk helemaal niet. Ik ben prima tevreden zo met dit leven waarom zou ik meer willen.’
‘Omdat je het kunt.’
‘Maar je zij toen straks dat ik geen professor kon worden, wat nou als dat is wat ik wil.’
‘Je hebt je beperkingen natuurlijk maar wat ik wil zeggen is dat het leven niet alleen maar geboren worden is, eten, werken, slapen en dood gaan. Zo leven dieren ook en wij verschillen juist van dieren hebben we toch geconcludeerd?’
‘Ja.’ Zij Gerderik alsof hij zijn moeder opbiechtte dat hij met zijn handen in de koektrommel had gezeten. ‘Ik ben eigenlijk heel tevreden met mijn leven hier maar nu ik zo met jou praat, Marit, voel ik mij nog al dom.’
‘Je hoeft je niet dom te voelen, dat heeft er niks mee te maken. Geluk is ook wat waard en de mensen hier lijken gelukkig te zijn, net zoals dieren ook gelukkig lijken te zijn. Maar wij zijn naast dier ook mens en als mens kunnen wij veel meer, zijn wij veel meer.’
‘Vergelijk je mij nou met een dier?’ Onderbrak hij mij licht gepikeerd maar ik ging gewoon door alsof ik het niet door had, ‘We zijn allemaal dier. De uitdrukking gewoontedier ken je toch wel?’ Ging ik verder.
‘Ja.’
‘Die uitdrukking verteld in het kort wat wij eigenlijk ook zijn, we doen wat gewoon is, wat normaal is maar wij zijn ook mens, ik zeg het nog maar een keer. De eerste aap die een jasje aan trok verbrak de gewoonte en zo is de mens ontstaan. Het is heel menselijk om gewoontes te doorbreken, een dier zal dat niet doen, een mens kan dat. Als mens hebben we misschien het dierlijke geluk ingeleverd maar we hebben er ook onze welvaart voor terug gekregen, onze kunst, boeken, noem maar op.’
‘Maar ik ben nu ook gelukkig ook al volg ik de gewoonte, ik hoef niet perse mens te zijn laat mij maar gewoon als een dier mijn gewoontes volgen zoals ik dat al jaren doe volgens jou.’
‘Jij bent ongemerkt al veel meer mens dan je denk ook al leef je voor een groot gedeelte uit gewoonte zoals je hond dat doet. Als ik jou in je nakie midden in het bos zet zou je niet meer weten wat je moest doen om te overleven, laat staan om gelukkig te zijn. We zijn al zo gewend aan alle dingen om ons heen die door mensen zijn bedacht die de gewoonte doorbraken, we kunnen niet meer zonder.’
‘Je zal wel gelijk hebben. Wat gebeurt er dan als ik mij voorstel de beste bomenkenner te worden.’
Ik merkte dat hij het er wat moeilijk mee had. Hij had waarschijnlijk niet gedacht dat dit filosoferen zo persoonlijk zou worden. Wordt hij een beetje vergeleken met een hond. Ik moet hem wel meegeven dat hij het niet al te persoonlijk opvat, alsof hij diep in zich wel begreep of in ieder geval aanvoelde dat het niet persoonlijk was bedoeld, misschien voelde hij zelfs wel ergens dat er niet zoiets als een persoonlijkheid is, wat hij misschien onder ego zou verstaan, een term die zelfs in dit afgelegen gebied wel een betekenis heeft. Hij nam het in ieder geval goed op en hij vroeg zich dus af wat het is, dat voorstellen van het zijn van iets dat je niet bent. ‘Eerst heb ik een andere vraag voor je, wie ben jij Gerderik’?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, wie ben jij? Stel je is voor aan mij, ik ben Gerderik…’
‘Ik ben Gerderik.’ Hij stopte even en stak zijn hand uit naar een boom, alsof hij wilde illustreren hoe raar hij het vond om zich voor te stellen aan niemand. ‘Ik ben bosbouwer.’ Hij deed net of de boom hem vragen stelde door ze met een zware stem zelf te stellen. ‘Ben je getrouwd? Ja, met Evelien, Wat zijn je hobby’s? Wat wil je later doen?’ En zo ging hij nog even door.
‘Ok meneer boom, nu weet u wel genoeg.’ Speelde ik het toneelstukje mee. ‘Wat heb je nou net verteld over jezelf?’ Vroeg ik Gerderik.
‘Wie ik ben.’ Keek hij verbaast.
‘Dus jij bent je werk, je vrouw, en je hobby?’
‘Eeuh, nee… Ja…. Ik ben ik.’
‘Vertel is wie dat is dan?’
‘Ja, jemig. Ik sta toch voor je.’
‘Ja dat zie ik maar kun je ook vertellen wie je bent zonder te verwijzen naar dingen buiten jezelf?’ Na een korte stilt kwam hij met het antwoord. Ik had even de tijd tussendoor om naar de mooie natuur om mij heen te kijken, het antwoord kende ik al, daar had ik jaren geleden mijn hoofd al over gepijnigd. De bomen waren in dit jaargetijde al ontdaan van hun bladeren maar de bodem was nog bedekt met een dikke laag mos waar wij overheen liepen. Tussen het mos zag je soms dat de bodem daaronder voor het grootste gedeelte uit steen bestond. In vele kleuren laat het steen zich zien, in de verte is het grijs en zwart, vooral hoger op de berg maar hier beneden zijn ze ook vaak bruin in allerlei tinten net zoals het mos groen is in ontelbare groentinten. Het bos heeft hier iets sereens over zich alsof het er al een eeuwigheid ligt, wat waarschijnlijk ook zo is, dat voel je dus. Nee hoorde ik plotseling.
‘Nee! Ik kan niet vertellen wie ik ben zonder naar iets anders te verwijzen.’
‘Inderdaad, dat is ook niet mogelijk. We zijn niet alleen in deze wereld geworpen, we moeten er ook nog is naar verwijzen als we onszelf willen beschrijven. Maar die boom…’ En ik keek hem aan en hij keek serieus voor zich uit maar toen hij mij zag kijken kwam er een lach op zijn gezicht, hij begreep dat ik het grappig bedoelde. ‘Maar die boom,’ ging ik verder, ‘Vroeg je ook naar wat je wil gaan doen later en toen gaf je ook een heel lang antwoord. Een mens is niet alleen maar wat hij doet maar ook wat hij later wil en wat hij is geweest. Wat hij nu is wordt altijd verteld door te verwijzen naar het verleden – waarom hij zo is geworden – en naar de toekomst – wat hij wil worden. Denk daar maar is over na.
‘Ik kan het mij wel voorstellen wat je bedoeld. Zo praat je ook over jezelf maar wat wil je daar mee zeggen?’
‘Het zijn de dingen om je heen die je persoonlijkheid vertegenwoordigen. Het zijn je toekomstplannen die dat ook doen en de manier waarop je, je verleden interpreteert geven je ook een bepaalde persoonlijkheid.’
‘Dus als ik mijzelf een andere toekomst voorhoud en andere dingen aanwijs buiten mij die mijn persoonlijkheid vertegenwoordigen dan verander ik daarmee mijn persoonlijkheid.’
‘Heel goed. Dat heb je snel gezien. Zo heel simpel ligt het natuurlijk niet maar…’
‘Heb je een voorbeeld?’ interrumpeerde hij mij, hongerig geworden.
‘Jawel. Neem het verleden. Twee mensen kunnen beiden het zelfde ongeluk meemaken waardoor beiden een been verliezen. De één ziet zijn toekomst in duigen vallen en zal zijn heden interpreteren als zwaar en met veel boosheid kijkt hij naar de ander om dat hijzelf niet verantwoordelijk was voor het ongeluk, het leven is zwaar voor hem. De andere persoon realiseert zich misschien dat iedereen een ongeluk kan maken en vergeeft het de brokkenmaker en deze positieve levenshouding doet hem ook snel inzien dat een carrièrewisseling misschien wel verfrissend is omdat hij al jaren het zelfde deed, het ongeluk is met andere woorden een kans voor hem geworden en niet alleen maar een ongeluk. Het zijn twee manieren om de zelfde geschiedenis te interpreteren die totaal verschillende persoonlijkheden geven.’
‘Is het zo simpel?’
‘Nee, natuurlijk niet. Het is een omschrijving van hoe wij mensen werken. Ik kan je ook omschrijven hoe een naaimachine werkt maar zelfs ik kan hem niet eenvoudig repareren. Weten hoe je werkt als mens en verandering kunnen aanbrengen in je leven horen niet automatisch bij elkaar.
‘Wat kun je er dan mee.’
‘Heb jij al is zwaar verdriet mee gemaakt?’ Even moest hij verwerken wat ik daarnet gezegd had maar snel kwam het antwoord op mijn vraag.
‘Mijn ouders zijn overleden, daar heb ik wel verdriet om gehad maar die waren al oud.’
‘Je zegt het zelf al, die waren oud, je hebt dat zien aankomen maar wat als Evelien plotseling komt te overlijden.’
‘Liever niet nee. Dan zou mijn leven wel instorten denk ik.’
‘Dat is te begrijpen maar hoe ga je daarna verder, hoe wil je verder gaan.’
‘Ja, dat weet ik niet hoor, ik kan mij dat moeilijk voorstellen. Onze buurman heeft zich opgehangen ruim een jaar nadat zijn vrouw aan kanker overleden was. Ik hoop niet dat ik dat doe. Kan ik daar met jou truc wat aan doen?’
‘Het is geen truc, het is een omschrijving van hoe wij werken zoals ik net al zij. Ik denk dat je, jezelf kunt voorbereiden op situaties als dat door er over na te denken of zoals wij nu doen door er over te praten.’ Gerderik vroeg zich vervolgens hardop af wat zijn buurman gedaan zou hebben als hij mij een paar jaar geleden ontmoet had. Hij nam al sprekend in het luchtledige door wat van man zijn buurman was en woog zo af of hij veranderd had kunnen worden met wat hij allemaal gehoord heeft vandaag. Ik stoorde hem door te vragen of hij wel vaker hardop in zichzelf sprak en ja, dat deed hij veel als hij alleen in de bossen was. Dat hij nu hier met mij liep leek hem niet te deren, hij voelde zich thuis bij mij terwijl ik te gast ben in zijn bos. Hij leek geen overeenstemming te kunnen vinden met zichzelf en vroeg vervolgen hoe het mijn leven had beïnvloed. Ik vertelde hem in het kort over mijn leven en hoe ik door ziekte vaak overnieuw moest beginnen of hoe pech mijn pad afsneed als het weer is goed ging. Ook vertelde ik hem hoe veel geluk ik in mijn leven heb gehad en dat ik mij vaak een zondagskind voelde, alles viel altijd op zijn juiste plek. Ik vertelde hem van mijn reizen over de wereld en mijn contacten met andere culturen die mij met een andere bril naar mijn eigen cultuur deed kijken. Mijn eerste boeken noemde ik op en mijn voorzichtige stappen op het filosofische pad vertelde ik. Die ziektes, het geluk, de pech, die andere culturen, dit alles deed mij beseffen dat wij maar een simpele pion zijn in het spel dat leven heet. Dat wij wel op onze borst kloppen van kijk mij is maar dat het allemaal maar fantasie is, voorstelling zij ik, om aan te sluiten bij ons gesprek. Mijn afschuw van de mens om mij heen die zijn voorstelling boven die van een ander zet en soms de ander het leven beroofd om zijn voorstelling. Ik walgde daarvan vertelde ik hem maar ik stond ook te positief in het leven om er aan onderdoor te gaan, mijn filosofie had mij al besmet, ik zou in het vervolg mijn eigen verhaal schrijven. Hij keek mij met bewondering aan en was zichtbaar onder de indruk van mijn verhaal. We liepen nu een dal in, de bomen waren al wat kleiner geworden dus we waren ongemerkt ook al wat hoger op de berg gekomen. In de verte hoorde ik water stromen, een klein riviertje dacht ik. Gerderik vroeg mij waarom ik zo vaak verhuisde, weer vertrok als ik het niet naar mijn zin had. Waar hij woonde kreeg je bewondering als je jaren het zelfde bleef doen, voor mensen zoals mij werd maar weinig begrip opgebracht vertelde hij. Kun je, je levens “verhaal” niet op één plek schrijven vroeg hij. ‘Natuurlijk kun je dat doen.’ Antwoordde ik. ‘De meeste mensen doen dat toch.’
‘Hoe bedoel je.’
‘Jij schrijft toch ook je eigen verhaal op je vaste plek, het dorp waar je woont.’
‘Ik schrijf volgens mij helemaal geen verhaal.’
‘Tuurlijk wel, daar hebben we het nou de hele tijd al over. Als ik jou vraag wie je bent dan vertel je toch jou verhaal.’
‘Jawel, maar dat is toch niet een verhaal dat ik zelf gemaakt heb.’
‘Misschien niet bewust nee maar het is wel jou verhaal.’
‘Dus dat jij zoveel verhuisd en dat, dat jouw verhaal is gebeurd ook onbewust… Bij jou?’
‘Voor een deel wel ja maar ik ben mij ook bewust geworden van hoe wij als mensen werken dus nu kan ik mijn verhaal bijsturen. Zelfs een nieuw hoofdstuk toevoegen als het moet.’
‘Hoe ben je daar dan van bewust geworden als ik vragen mag.’
‘Dat weet ik eerlijk gezegd niet meer precies.’
‘Hoezo weet je dat niet meer?’
‘Dat is lang geleden en ik kan jou nu wel gaan vertellen hoe het zover is gekomen maar dat zou pas echt een verhaaltje vertellen zijn.’
‘Maar je weet toch wel ongeveer hoe?’ Hield hij vol, Gerderik wilde graag een antwoord horen. Ik had echter even geen tijd om te denken, de helling werd hier wat stijl dus ik moest goed opletten waar ik mijn voeten neer zette om niet naar beneden te glijden richting het kleine riviertje. Ik vertelde hem dat het voor mensen niet altijd makkelijk is om in waarheid over het verleden te vertellen, vooral over hun eigen verleden. Maar al te vaak, niet eens met verkeerde bedoelingen vertelen wij het verhaal zodat wij er goed uit komen. Ik zou hem dus kunnen vertellen dat ik na een lange studie tot die conclusie ben gekomen maar ik heb werkelijk geen idee. Angst voor de dood vertelde ik hem als mijn drijfveer.
‘Angst voor de dood!ngst voor de dood.ertelde ik hem als mijn drijfveer.uddie e wij het verhaalver het verleden te vertellen.ik mijn voeten neer ze’ Zij hij luid en geschrokken net toen hij op een steen stapte om het riviertje over te steken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten